Vocabulaireverzameling Beweging in SAT Science-woordenschat: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Beweging' in 'SAT Science-woordenschat' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) voortbeweging, locomotie
Voorbeeld:
(noun) baan, traject, koers
Voorbeeld:
(noun) progressie, voortgang, ontwikkeling
Voorbeeld:
(noun) stroom, vloed, verandering;
(verb) stromen, vloeien
Voorbeeld:
(noun) voortstuwing, aandrijving
Voorbeeld:
(verb) duiken, neerduiken, binnenvallen;
(noun) duik, inval
Voorbeeld:
(noun) stuwstof, drijfgas
Voorbeeld:
(noun) oriëntatie, richting, introductie
Voorbeeld:
(verb) versnellen, bespoedigen
Voorbeeld:
(verb) circuleren, rondgaan, verspreiden
Voorbeeld:
(noun) manoeuvre, beweging, strategie;
(verb) manoeuvreren, behendig bewegen, manipuleren
Voorbeeld:
(verb) fladderen, flitsen, verhuizen;
(noun) vlucht, flits
Voorbeeld:
(noun) pad, spoor, rupsband;
(verb) volgen, traceren, monitoren
Voorbeeld:
(noun) zwerm, menigte, massa;
(verb) zwermen, zich verzamelen, wimmelen van
Voorbeeld:
(verb) sijpelen, doorlekken;
(noun) sijpeling, lek
Voorbeeld:
(verb) overtreffen, vooruitlopen op
Voorbeeld:
(verb) aarzelen, wankelen, twijfelen
Voorbeeld:
(verb) uitlijnen, op één lijn brengen, afstemmen
Voorbeeld:
(verb) sijpelen, druipen, uitstralen;
(noun) modder, slib
Voorbeeld:
(verb) omkeren, binnenstebuiten keren;
(noun) invert, binnenonderkant
Voorbeeld:
(verb) vegen, buigen, bestrijken;
(noun) veeg, veegbeurt, bocht
Voorbeeld:
(noun) shuttle, pendeldienst, ruimteshuttle;
(verb) pendelen, vervoeren
Voorbeeld:
(verb) afwijken, afwijken van
Voorbeeld:
(verb) trekken, stuiptrekken;
(noun) trek, stuiptrekking;
(trademark) Twitch
Voorbeeld:
(noun) kar, wagen, winkelwagen;
(verb) vervoeren, dragen
Voorbeeld:
(verb) kantelen, hellen;
(noun) helling, kanteling
Voorbeeld:
(verb) terugkaatsen, terugspringen, herstellen;
(noun) herstel, opleving, rebound
Voorbeeld:
(noun) transplantatie, verplanting, overgeplante plant;
(verb) transplanteren, verplanten
Voorbeeld:
(verb) sturen, leiden;
(noun) os, stier
Voorbeeld:
(verb) kronkelen, slingeren, ronddwalen;
(noun) meander, kronkel
Voorbeeld:
(verb) deprimeren, neerslachtig maken, indrukken
Voorbeeld:
(verb) razen, snellen
Voorbeeld:
(noun) hevel, sifon;
(verb) hevelen, overhevelen, sluizen
Voorbeeld:
(verb) sjouwen, slepen;
(noun) nok, oog
Voorbeeld:
(verb) trekken naar, graviteren, vallen door zwaartekracht
Voorbeeld:
(noun) flop, mislukking;
(verb) neerploffen, flappen, hangen
Voorbeeld:
(verb) kwispelen, zwaaien, heen en weer bewegen;
(noun) kwispel, beweging, grapjas
Voorbeeld:
(noun) hout, timmerhout;
(verb) strompelen, zwaar lopen
Voorbeeld:
(verb) wervelen, ronddraaien;
(noun) werveling, draai
Voorbeeld:
(noun) spil, draaipunt, kern;
(verb) draaien, scharnieren, van richting veranderen
Voorbeeld:
(verb) uiteenlopen, afwijken, verschillen
Voorbeeld:
(verb) kruisen, doorsnijden
Voorbeeld:
(verb) omleiden, afleiden, distraheren
Voorbeeld:
(noun) jerky, gedroogd vlees;
(adjective) schokkerig, hortend
Voorbeeld:
(adjective) convulsief, stuiptrekkend
Voorbeeld:
(adjective) beverig, trillend
Voorbeeld:
(adverb) met de klok mee;
(adjective) met de klok mee
Voorbeeld: