Vocabulaireverzameling Mensen in SAT-woordenschat gerelateerd aan de geesteswetenschappen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Mensen' in 'SAT-woordenschat gerelateerd aan de geesteswetenschappen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) contact, aanraking, contactpersoon;
(verb) contact opnemen met, bereiken, aanraken
Voorbeeld:
(noun) kennis, bekendheid
Voorbeeld:
(noun) wonderkind, genie, wonder
Voorbeeld:
(noun) paragnost, helderziende;
(adjective) helderziend
Voorbeeld:
(noun) geelbruin, buff, liefhebber;
(verb) poetsen, polijsten, versterken;
(adjective) gespierd, afgetraind
Voorbeeld:
(noun) grootheid, beroemdheid, hemellichaam
Voorbeeld:
(noun) clown, idioot, hansworst
Voorbeeld:
(noun) vagebond, zwerver;
(adjective) vagebond, zwervend
Voorbeeld:
(noun) stroper, pan, kookpan
Voorbeeld:
(noun) amateur, liefhebber, onbekwaam;
(adjective) amateur, niet-professioneel, onbekwaam
Voorbeeld:
(noun) smokkelaar
Voorbeeld:
(noun) huisvrouw, huisman
Voorbeeld:
(noun) invalide, zieke;
(adjective) ongeldig, niet geldig, onjuist
Voorbeeld:
(noun) ontdekkingsreiziger, verkenner, browser
Voorbeeld:
(noun) missionaris;
(adjective) missionaris, zendings-
Voorbeeld:
(noun) nageslacht, ruimere nageslacht
Voorbeeld:
(noun) cohort, groep, metgezel
Voorbeeld:
(noun) elite, toplaag;
(adjective) elite, exclusief
Voorbeeld:
(noun) surrogaat, plaatsvervanger, vervanger;
(adjective) surrogaat, plaatsvervangend;
(verb) vervangen, plaatsvervanger aanstellen
Voorbeeld:
(noun) regiment;
(verb) disciplineren, organiseren
Voorbeeld:
(noun) garnizoen, bezetting, garnizoensplaats;
(verb) stationeren, bezetten
Voorbeeld:
(noun) processie, stoet, reeks
Voorbeeld:
(noun) line-up, opstelling, programma
Voorbeeld:
(plural noun) massa, gewone mensen
Voorbeeld:
(plural noun) mensen, lui, ouders
Voorbeeld:
(noun) quorum, vereiste aanwezigheid
Voorbeeld:
(noun) stoet, optocht, reeks
Voorbeeld:
(noun) pseudoniem, schuilnaam
Voorbeeld:
(noun) bijnaam, naam
Voorbeeld:
(adjective) anoniem, naamloos, onopvallend
Voorbeeld:
(adjective) bezeten, in het bezit van, hebbende;
(past participle) bezeten, in bezit
Voorbeeld:
(noun) jeugdige, jongere;
(adjective) jeugd-, jeugdig, kinderachtig
Voorbeeld:
(adjective) zwierig, avontuurlijk, onverschrokken
Voorbeeld:
(adjective) gerenommeerd, vermaard
Voorbeeld:
(verb) noemen, betitelen, nasynchroniseren;
(noun) dub (muziekgenre)
Voorbeeld:
(verb) blozen, rood worden, doorspoelen;
(noun) blos, roodheid, stroom;
(adjective) gelijk, vlak
Voorbeeld:
(verb) vergapen, staren
Voorbeeld:
(verb) bevolken, bewonen, vullen
Voorbeeld:
(verb) bemiddelen, mediëren, tot stand brengen
Voorbeeld:
(verb) knutselen, sleutelen;
(noun) ketellapper, knutselaar
Voorbeeld:
(verb) afzien van, kwijtschelden, verwerpen
Voorbeeld:
(verb) erven, overerven, overnemen
Voorbeeld:
(noun) gedrag, verloop, beheer;
(verb) uitvoeren, leiden, dirigeren
Voorbeeld:
(verb) ondernemen, uitvoeren, beginnen aan
Voorbeeld:
(verb) aantrekken, aandoen;
(noun) docent, universitair docent, Don
Voorbeeld:
(verb) kletsen, bazelen;
(noun) geklets, bazel
Voorbeeld:
(verb) verleiden, het hof maken, winnen
Voorbeeld:
(noun) rechtbank, gerechtshof, baan;
(verb) versieren, winnen
Voorbeeld:
(verb) begeleiden, meegaan met, vergezellen
Voorbeeld: