Vocabulaireverzameling Unit 12: Fiets niet te snel! in Groep 5: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Unit 12: Fiets niet te snel!' in 'Groep 5' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) mes;
(verb) neersteken, snijden met een mes
Voorbeeld:
(verb) snijden, knippen, hakken;
(noun) snede, knippen, coupe;
(adjective) gesneden, geknipt
Voorbeeld:
(noun) fornuis, kachel
Voorbeeld:
(verb) aanraken, raken, aangrijpen;
(noun) aanraking, gevoel, vleugje
Voorbeeld:
(noun) zwerver, landloper, kont;
(verb) lummelen, rondhangen, bietsen;
(adjective) waardeloos, slecht
Voorbeeld:
(noun) wedstrijd, match, lucifer;
(verb) overeenkomen, passen bij, matchen
Voorbeeld:
(adjective) vervallen, verwaarloosd, uitgeput
Voorbeeld:
(noun) trap, trede
Voorbeeld:
(verb) klimmen, stijgen, moeizaam klimmen;
(noun) klim, beklimming
Voorbeeld:
(noun) antwoord, repliek;
(verb) antwoorden, beantwoorden
Voorbeeld:
(adverb) luid, hard, opzichtig
Voorbeeld:
(adverb) weer, nogmaals, terug
Voorbeeld:
(noun) been, poot, etappe;
(verb) lopen, rennen
Voorbeeld:
(noun) arm, wapen;
(verb) bewapenen
Voorbeeld:
(verb) breken, stukmaken, onderbreken;
(noun) pauze, onderbreking, uitbraak
Voorbeeld:
(phrasal verb) afnemen, dalen, afvallen
Voorbeeld:
(verb) vasthouden, dragen, tegenhouden;
(noun) greep, houvast, wacht
Voorbeeld:
(adjective) scherp, intens, intelligent;
(adverb) stipt, scherp;
(noun) kruis
Voorbeeld:
(adjective) gevaarlijk
Voorbeeld:
(adjective) veelvoorkomend, algemeen, gewoon;
(noun) het gewone volk, de massa, meent
Voorbeeld:
(noun) ongeluk, ongeval, toeval
Voorbeeld:
(verb) voorkomen, verhinderen, beletten
Voorbeeld:
(adjective) veilig, beveiligd, onschadelijk;
(noun) kluis, brandkast
Voorbeeld:
(noun) balkon, galerij
Voorbeeld:
(noun) fooi, tip, advies;
(verb) fooi geven, omkiepen, kantelen
Voorbeeld:
(noun) buur, buurman, buurvrouw;
(verb) grenzen aan, naast liggen
Voorbeeld:
(plural noun) schaar
Voorbeeld:
(noun) gereedschap, hulpmiddel, instrument;
(verb) uitrusten, voorzien van gereedschap
Voorbeeld:
(noun) helm
Voorbeeld:
(verb) bijten, hap, aantasten;
(noun) beet, hap, hapje
Voorbeeld:
(noun) kras, schram, start;
(verb) krassen, schrammen, krabben
Voorbeeld:
(phrase) om hulp roepen, hulp inroepen
Voorbeeld: