Vocabulaireverzameling Eenheid 10: Eco-toerisme in Graad 10: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 10: Eco-toerisme' in 'Graad 10' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) absorberen, opnemen, verwerken
Voorbeeld:
(adjective) bewust, op de hoogte
Voorbeeld:
(noun) brochure, folder
Voorbeeld:
(noun) ambacht, handwerk, vaartuig;
(verb) maken, vervaardigen
Voorbeeld:
(noun) menigte, publiek, massa;
(verb) verdringen, samenpakken, volproppen
Voorbeeld:
(noun) cultuur, kweek;
(verb) kweken, cultiveren
Voorbeeld:
(noun) schade, beschadiging, schadevergoeding;
(verb) beschadigen, schaden
Voorbeeld:
(verb) storen, verstoren, verontrusten
Voorbeeld:
(adjective) milieuvriendelijk, ecologisch
Voorbeeld:
(noun) ecotoerisme
Voorbeeld:
(verb) verkennen, ontdekken, onderzoeken
Voorbeeld:
(noun) schoolreisje, excursie
Voorbeeld:
(verb) volgen, opvolgen, naleven;
(noun) aanhang, volgers
Voorbeeld:
(adjective) handgemaakt
Voorbeeld:
(noun) gastheer, gastvrouw, menigte;
(verb) hosten, organiseren, onderbrengen
Voorbeeld:
(verb) jagen, jacht maken op, zoeken;
(noun) jacht, speurtocht
Voorbeeld:
(noun) inslag, botsing, impact;
(verb) beïnvloeden, raken, treffen
Voorbeeld:
(adverb) bewust, wetend, veelbetekenend
Voorbeeld:
(adjective) landgebaseerd, op land
Voorbeeld:
(adjective) lokaal, plaatselijk;
(noun) lokale bewoner, plaatselijke, stoptrein
Voorbeeld:
(noun) massa, klomp, menigte;
(verb) verzamelen, samenpakken;
(adjective) massaal, grootschalig
Voorbeeld:
(noun) verpakking, verpakkingsmateriaal, verpakken
Voorbeeld:
(noun) pad, weg, koers;
(verb) een pad banen, een weg creëren
Voorbeeld:
(noun) winst, profijt, voordeel;
(verb) profiteren, winst maken, baten
Voorbeeld:
(verb) beschermen, beveiligen
Voorbeeld:
(adjective) verantwoordelijk, verantwoordelijk voor, oorzaak van
Voorbeeld:
(adjective) rookloos
Voorbeeld:
(noun) souvenir, aandenken
Voorbeeld:
(noun) stalactiet
Voorbeeld:
(verb) zonnebaden
Voorbeeld:
(noun) surfplank
Voorbeeld:
(noun) surfen, golfsurfen, zappen;
(verb) surfend, zappend
Voorbeeld:
(noun) pad, spoor, sporen;
(verb) volgen, sporen, slepen
Voorbeeld:
(adjective) close-up, van dichtbij;
(adverb) van dichtbij, close-up
Voorbeeld:
(noun) afval, resten, verspilling;
(verb) verspillen, verkwisten, verkwijnen;
(adjective) woest, braakliggend
Voorbeeld:
(verb) weven, samenvoegen, verbinden;
(noun) weefsel, weefpatroon
Voorbeeld:
(noun) wetsuit, duikpak
Voorbeeld: