Avatar of Vocabulary Set B2 - Letter G

Vocabulaireverzameling B2 - Letter G in Oxford 3000 - B2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B2 - Letter G' in 'Oxford 3000 - B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

gain

/ɡeɪn/

(verb) verkrijgen, winnen, opdoen;

(noun) winst, voordeel, toename

Voorbeeld:

He worked hard to gain experience in the field.
Hij werkte hard om ervaring op te doen in het veld.

gang

/ɡæŋ/

(noun) bende, gang, groep;

(verb) samenwerken, samenspannen

Voorbeeld:

The police arrested several members of the local gang.
De politie arresteerde verschillende leden van de lokale bende.

generate

/ˈdʒen.ə.reɪt/

(verb) genereren, produceren, creëren

Voorbeeld:

The new system will generate a lot of data.
Het nieuwe systeem zal veel gegevens genereren.

genre

/ˈʒɑːn.rə/

(noun) genre, soort

Voorbeeld:

My favorite music genre is classical.
Mijn favoriete muziekgenre is klassiek.

govern

/ˈɡʌv.ɚn/

(verb) regeren, besturen, leiden

Voorbeeld:

The new president will govern the country for the next four years.
De nieuwe president zal het land de komende vier jaar regeren.

grab

/ɡræb/

(verb) grijpen, pakken, snel pakken;

(noun) greep, pak

Voorbeeld:

She tried to grab the falling vase.
Ze probeerde de vallende vaas te grijpen.

grade

/ɡreɪd/

(noun) kwaliteit, graad, niveau;

(verb) sorteren, indelen, beoordelen

Voorbeeld:

This is a high grade olive oil.
Dit is een olijfolie van hoge kwaliteit.

gradually

/ˈɡrædʒ.u.ə.li/

(adverb) geleidelijk, langzamerhand

Voorbeeld:

The weather gradually improved over the week.
Het weer verbeterde geleidelijk gedurende de week.

grand

/ɡrænd/

(adjective) groots, indrukwekkend, magnifiek;

(noun) duizend, duizend pond

Voorbeeld:

The palace was a grand building with towering spires.
Het paleis was een groots gebouw met torenhoge spitsen.

grant

/ɡrænt/

(verb) verlenen, toestaan, toestemmen;

(noun) subsidie, toelage

Voorbeeld:

The committee decided to grant him immunity from prosecution.
De commissie besloot hem immuniteit van vervolging te verlenen.

guarantee

/ˌɡer.ənˈtiː/

(noun) garantie, waarborg, zekerheid;

(verb) garanderen, waarborgen, zekerstellen

Voorbeeld:

The television comes with a two-year guarantee.
De televisie wordt geleverd met twee jaar garantie.

handle

/ˈhæn.dəl/

(noun) handvat, greep;

(verb) behandelen, omgaan met

Voorbeeld:

The cup has a broken handle.
De beker heeft een gebroken handvat.

harm

/hɑːrm/

(noun) schade, letsel;

(verb) schaden, beschadigen

Voorbeeld:

The accident caused him serious harm.
Het ongeluk veroorzaakte hem ernstige schade.

harmful

/ˈhɑːrm.fəl/

(adjective) schadelijk, nadelig

Voorbeeld:

Smoking is harmful to your health.
Roken is schadelijk voor je gezondheid.

hearing

/ˈhɪr.ɪŋ/

(noun) gehoor, hoorzitting, verhoor

Voorbeeld:

Her hearing is excellent for her age.
Haar gehoor is uitstekend voor haar leeftijd.

heaven

/ˈhev.ən/

(noun) hemel, firmament, zaligheid

Voorbeeld:

Many believe that after death, good people go to heaven.
Velen geloven dat na de dood goede mensen naar de hemel gaan.

heel

/hiːl/

(noun) hiel, hak, hiel (van sok);

(verb) hellen, volgen

Voorbeeld:

She wore shoes with high heels.
Ze droeg schoenen met hoge hakken.

hell

/hel/

(noun) hel, ellende, marteling;

(exclamation) hel, verdomme

Voorbeeld:

According to some beliefs, sinners go to hell.
Volgens sommige overtuigingen gaan zondaars naar de hel.

hesitate

/ˈhez.ə.teɪt/

(verb) aarzelen, twijfelen

Voorbeeld:

She hesitated for a moment before answering the difficult question.
Ze aarzelde even voordat ze de moeilijke vraag beantwoordde.

high

/haɪ/

(adjective) hoog, maximaal, belangrijk;

(adverb) hoog;

(noun) hoogtepunt, record

Voorbeeld:

The mountain is very high.
De berg is erg hoog.

hire

/haɪr/

(verb) aannemen, inhuren, huren;

(noun) aanwerving, huur

Voorbeeld:

The company decided to hire a new marketing manager.
Het bedrijf besloot een nieuwe marketingmanager aan te nemen.

hold

/hoʊld/

(verb) vasthouden, dragen, tegenhouden;

(noun) greep, houvast, wacht

Voorbeeld:

Can you hold this for a moment?
Kun je dit even vasthouden?

hollow

/ˈhɑː.loʊ/

(adjective) hol, leeg, onoprecht;

(noun) holte, dal, depressie;

(verb) uithollen, uitgraven

Voorbeeld:

The tree trunk was hollow inside.
De boomstam was van binnen hol.

holy

/ˈhoʊ.li/

(adjective) heilig, gewijd, vroom

Voorbeeld:

The church is a holy place for worship.
De kerk is een heilige plaats voor aanbidding.

honour

/ˈɑː.nɚ/

(noun) eer, respect, integriteit;

(verb) eren, respecteren, nakomen

Voorbeeld:

He was buried with full military honour.
Hij werd begraven met volledige militaire eer.

host

/hoʊst/

(noun) gastheer, gastvrouw, menigte;

(verb) hosten, organiseren, onderbrengen

Voorbeeld:

Our host greeted us warmly at the door.
Onze gastheer begroette ons hartelijk bij de deur.

house

/haʊs/

(noun) huis, gebouw;

(verb) huisvesten, onderbrengen

Voorbeeld:

They bought a new house in the suburbs.
Ze kochten een nieuw huis in de buitenwijken.

household

/ˈhaʊs.hoʊld/

(noun) huishouden;

(adjective) huishoudelijk

Voorbeeld:

The average household in this area has 3.5 people.
Het gemiddelde huishouden in dit gebied telt 3,5 personen.

housing

/ˈhaʊ.zɪŋ/

(noun) huisvesting, woningen, behuizing

Voorbeeld:

Affordable housing is a major issue in many cities.
Betaalbare huisvesting is een groot probleem in veel steden.

humorous

/ˈhjuː.mə.rəs/

(adjective) humoristisch, grappig

Voorbeeld:

He told a humorous story that made everyone laugh.
Hij vertelde een humoristisch verhaal dat iedereen aan het lachen maakte.

humour

/ˈhjuː.mɚ/

(noun) humor, geestigheid, humeur;

(verb) tegemoetkomen, humoreren

Voorbeeld:

He has a great sense of humour.
Hij heeft een geweldig gevoel voor humor.

hunt

/hʌnt/

(verb) jagen, jacht maken op, zoeken;

(noun) jacht, speurtocht

Voorbeeld:

They went out to hunt deer in the forest.
Ze gingen het bos in om herten te jagen.

hunting

/ˈhʌn.t̬ɪŋ/

(noun) jacht;

(verb) jagen, zoeken

Voorbeeld:

Deer hunting is popular in this region during the fall.
Hertenjacht is populair in deze regio tijdens de herfst.

hurt

/hɝːt/

(verb) bezeren, pijn doen, kwetsen;

(noun) pijn, blessure, verdriet;

(adjective) gewond, bezeerd, gekwetst

Voorbeeld:

Did you hurt your knee when you fell?
Heb je je knie bezeerd toen je viel?
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland