Vocabulaireverzameling A1 - Letter R in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter R' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) radio, uitzending, ontvanger;
(verb) radioën, uitzenden via radio
Voorbeeld:
(noun) regen;
(verb) regenen
Voorbeeld:
(verb) lezen, interpreteren, begrijpen;
(noun) lezing, leesbeurt
Voorbeeld:
(noun) lezer, leestoestel, leesboek
Voorbeeld:
(noun) lezen, leesvaardigheid, leesstof;
(verb) lezend
Voorbeeld:
(adjective) klaar, gereed, bereid;
(verb) klaarmaken, gereedmaken
Voorbeeld:
(adjective) echt, werkelijk, oprecht;
(adverb) echt, erg
Voorbeeld:
(adverb) echt, werkelijk, heel;
(interjection) echt?, werkelijk?
Voorbeeld:
(noun) reden, oorzaak, rede;
(verb) redeneren, beredenen
Voorbeeld:
(adjective) rood, blozend;
(noun) rood, de kleur rood
Voorbeeld:
(verb) ontspannen, tot rust komen, versoepelen
Voorbeeld:
(verb) herinneren, zich herinneren, onthouden
Voorbeeld:
(verb) herhalen, overdoen;
(noun) herhaling, reprise
Voorbeeld:
(noun) rapport, verslag, knal;
(verb) melden, verslag doen, rapporteren aan
Voorbeeld:
(noun) restaurant
Voorbeeld:
(noun) resultaat, gevolg, uitslag;
(verb) resulteren in, voortvloeien uit
Voorbeeld:
(verb) terugkeren, teruggaan, terugbrengen;
(noun) terugkeer, terugzending, rendement
Voorbeeld:
(noun) rijst;
(verb) rijst wassen, purere, fijnpersen
Voorbeeld:
(adjective) rijk, welvarend, vol;
(noun) de rijken, welgestelden
Voorbeeld:
(verb) rijden, nemen;
(noun) rit, tocht, lift
Voorbeeld:
(adjective) juist, correct, rechts;
(adverb) rechts, meteen, direct;
(noun) recht, rechten, rechts;
(verb) rechtop zetten, corrigeren;
(interjection) oké, toch
Voorbeeld:
(noun) weg, straat, koers
Voorbeeld:
(noun) ruimte, plaats, kamer;
(verb) huisvesten, onderbrengen
Voorbeeld:
(noun) routine, gewoonte, subroutine;
(adjective) routine, gebruikelijk
Voorbeeld:
(noun) regel, voorschrift, heerschappij;
(verb) regeren, heersen, beheersen
Voorbeeld:
(verb) rennen, lopen, werken;
(noun) loop, ren, periode
Voorbeeld: