Avatar of Vocabulary Set A1 - Letter M

Vocabulaireverzameling A1 - Letter M in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter M' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

machine

/məˈʃiːn/

(noun) machine, apparaat, robot;

(verb) machinaal bewerken, bewerken

Voorbeeld:

The washing machine broke down.
De wasmachine ging kapot.

magazine

/ˌmæɡ.əˈziːn/

(noun) tijdschrift, magazine, magazijn

Voorbeeld:

She subscribes to a fashion magazine.
Ze abonneert zich op een modetijdschrift.

main

/meɪn/

(adjective) belangrijkste, hoofd;

(noun) hoofdleiding, hoofdkabel

Voorbeeld:

The main reason for his success is hard work.
De belangrijkste reden voor zijn succes is hard werken.

make

/meɪk/

(verb) maken, bereiden, doen;

(noun) makelij, merk

Voorbeeld:

She likes to make her own clothes.
Ze houdt ervan om haar eigen kleding te maken.

man

/mæn/

(noun) man, mens;

(verb) bemannen, bezettent;

(exclamation) man

Voorbeeld:

The man walked into the room.
De man liep de kamer binnen.

many

/ˈmen.i/

(determiner) veel, menig;

(pronoun) velen, veel

Voorbeeld:

There are many books on the shelf.
Er staan veel boeken op de plank.

map

/mæp/

(noun) kaart;

(verb) karteren, in kaart brengen

Voorbeeld:

We used a map to find our way through the city.
We gebruikten een kaart om onze weg door de stad te vinden.

march

/mɑːrtʃ/

(verb) marcheren, lopen, gaan;

(noun) mars, optocht, maart

Voorbeeld:

The soldiers marched in perfect formation.
De soldaten marcheerden in perfecte formatie.

market

/ˈmɑːr.kɪt/

(noun) markt;

(verb) op de markt brengen, vermarkten

Voorbeeld:

I bought fresh vegetables at the local market.
Ik kocht verse groenten op de lokale markt.

married

/ˈmer.id/

(adjective) getrouwd;

(past participle) getrouwd

Voorbeeld:

They have been happily married for twenty years.
Ze zijn al twintig jaar gelukkig getrouwd.

match

/mætʃ/

(noun) wedstrijd, match, lucifer;

(verb) overeenkomen, passen bij, matchen

Voorbeeld:

The football match ended in a draw.
De voetbalwedstrijd eindigde in een gelijkspel.

may

/meɪ/

(modal verb) kunnen, mogen, wens;

(noun) mei

Voorbeeld:

It may rain later.
Het kan later regenen.

maybe

/ˈmeɪ.bi/

(adverb) misschien, wellicht

Voorbeeld:

Maybe I'll go to the party, maybe I won't.
Misschien ga ik naar het feest, misschien ook niet.

me

/miː/

(pronoun) mij, me

Voorbeeld:

Can you help me with this box?
Kun je mij helpen met deze doos?

meal

/mɪəl/

(noun) maaltijd, eten

Voorbeeld:

We had a delicious meal at the new restaurant.
We hadden een heerlijke maaltijd in het nieuwe restaurant.

mean

/miːn/

(verb) betekenen, bedoelen, van plan zijn;

(adjective) gemeen, vals, gierig;

(noun) gemiddelde

Voorbeeld:

What do you mean by that?
Wat bedoel je daarmee?

meaning

/ˈmiː.nɪŋ/

(noun) betekenis, zin, waarde

Voorbeeld:

The meaning of the word 'serendipity' is the occurrence and development of events by chance in a happy or beneficial way.
De betekenis van het woord 'serendipiteit' is het toevallig en op een gelukkige of gunstige manier plaatsvinden en ontwikkelen van gebeurtenissen.

meat

/miːt/

(noun) vlees, pit

Voorbeeld:

We had roasted meat for dinner.
We hadden gebraden vlees als avondeten.

meet

/miːt/

(verb) ontmoeten, voldoen aan, halen;

(noun) bijeenkomst, wedstrijd

Voorbeeld:

I'm going to meet my friends at the cafe.
Ik ga mijn vrienden ontmoeten in het café.

meeting

/ˈmiː.t̬ɪŋ/

(noun) vergadering, bijeenkomst, ontmoeting;

(verb) ontmoetend, vergaderend

Voorbeeld:

We have a team meeting at 10 AM.
We hebben een teamvergadering om 10 uur.

member

/ˈmem.bɚ/

(noun) lid, lichaamsdeel

Voorbeeld:

She is a new member of our team.
Zij is een nieuw lid van ons team.

menu

/ˈmen.juː/

(noun) menukaart, menu

Voorbeeld:

Can I see the menu, please?
Mag ik de menukaart zien, alstublieft?

message

/ˈmes.ɪdʒ/

(noun) bericht, boodschap, strekking;

(verb) berichten, een bericht sturen

Voorbeeld:

I received a text message from my friend.
Ik ontving een tekstbericht van mijn vriend.

meter

/ˈmiː.t̬ɚ/

(noun) meter, teller, metrum;

(verb) meten, tellen

Voorbeeld:

The swimming pool is 25 meters long.
Het zwembad is 25 meter lang.

midnight

/ˈmɪd.naɪt/

(noun) middernacht;

(adjective) middernachtelijk

Voorbeeld:

The clock struck midnight.
De klok sloeg middernacht.

mile

/maɪl/

(noun) mijl, lange weg, extra inspanning

Voorbeeld:

The nearest town is ten miles away.
De dichtstbijzijnde stad is tien mijlen verderop.

milk

/mɪlk/

(noun) melk;

(verb) melken, uitmelken, uitbuiten

Voorbeeld:

She poured some milk into her coffee.
Ze schonk wat melk in haar koffie.

million

/ˈmɪl.jən/

(number) miljoen;

(noun) miljoenen, een zeer groot aantal

Voorbeeld:

The city has a population of over two million.
De stad heeft een bevolking van meer dan twee miljoen.

minute

/ˈmɪn.ɪt/

(noun) minuut, ogenblik, moment;

(adjective) miniem, minuscuul

Voorbeeld:

The meeting will start in five minutes.
De vergadering begint over vijf minuten.

miss

/mɪs/

(verb) missen, vermissen, verlangen naar;

(noun) mevrouw, juffrouw

Voorbeeld:

He swung the bat and missed the ball.
Hij zwaaide met de knuppel en miste de bal.

mistake

/mɪˈsteɪk/

(noun) fout, vergissing;

(verb) verwarren, misverstaan

Voorbeeld:

I made a mistake on the exam.
Ik heb een fout gemaakt op het examen.

model

/ˈmɑː.dəl/

(noun) model, maquette, mannequin;

(verb) modelleren, poseren, vormen

Voorbeeld:

He built a model airplane.
Hij bouwde een modelvliegtuig.

modern

/ˈmɑː.dɚn/

(adjective) modern, hedendaags, geavanceerd

Voorbeeld:

Modern technology has transformed our lives.
Moderne technologie heeft ons leven getransformeerd.

moment

/ˈmoʊ.mənt/

(noun) moment, ogenblik, tijdstip

Voorbeeld:

I'll be with you in a moment.
Ik ben zo bij je.

monday

/ˈmʌn.deɪ/

(noun) maandag

Voorbeeld:

I have a meeting on Monday morning.
Ik heb een vergadering op maandagochtend.

money

/ˈmʌn.i/

(noun) geld, vermogen, kapitaal

Voorbeeld:

I need to withdraw some money from the bank.
Ik moet wat geld opnemen van de bank.

month

/mʌnθ/

(noun) maand

Voorbeeld:

There are twelve months in a year.
Er zijn twaalf maanden in een jaar.

more

/mɔːr/

(determiner) meer;

(adverb) meer;

(pronoun) meer

Voorbeeld:

I need more time to finish this project.
Ik heb meer tijd nodig om dit project af te maken.

morning

/ˈmɔːr.nɪŋ/

(noun) ochtend, morgen;

(exclamation) goedemorgen

Voorbeeld:

I usually wake up early in the morning.
Ik word meestal vroeg in de ochtend wakker.

most

/moʊst/

(determiner) meeste, grootste deel;

(adverb) meest, het meest;

(pronoun) meeste, het meest

Voorbeeld:

Most people agree with the decision.
De meeste mensen zijn het eens met de beslissing.

mother

/ˈmʌð.ɚ/

(noun) moeder, oorsprong, bron;

(verb) bemoeien, verzorgen

Voorbeeld:

My mother always supported my dreams.
Mijn moeder steunde altijd mijn dromen.

mountain

/ˈmaʊn.tən/

(noun) berg, hoop

Voorbeeld:

Mount Everest is the highest mountain in the world.
Mount Everest is de hoogste berg ter wereld.

mouse

/maʊs/

(noun) muis;

(verb) muizen, met de muis bewegen

Voorbeeld:

A tiny mouse scurried across the floor.
Een kleine muis schoot over de vloer.

mouth

/maʊθ/

(noun) mond, monding, ingang;

(verb) uitspreken, zeggen

Voorbeeld:

He opened his mouth to speak.
Hij opende zijn mond om te spreken.

move

/muːv/

(verb) bewegen, verplaatsen, verhuizen;

(noun) beweging, zet, verhuizing

Voorbeeld:

The car began to move slowly down the street.
De auto begon langzaam de straat af te bewegen.

movie

/ˈmuː.vi/

(noun) film, bioscoopfilm

Voorbeeld:

Let's go see a movie tonight.
Laten we vanavond een film gaan kijken.

much

/mʌtʃ/

(determiner) veel;

(pronoun) veel;

(adverb) veel, erg

Voorbeeld:

He doesn't earn much money.
Hij verdient niet veel geld.

mum

/mʌm/

(noun) mam, moeder, chrysant;

(adjective) zwijgzaam, stil

Voorbeeld:

My mum always bakes the best cookies.
Mijn mam bakt altijd de beste koekjes.

museum

/mjuːˈziː.əm/

(noun) museum

Voorbeeld:

We spent the afternoon at the art museum.
We brachten de middag door in het kunstmuseum.

music

/ˈmjuː.zɪk/

(noun) muziek, bladmuziek, noten

Voorbeeld:

She loves listening to classical music.
Ze luistert graag naar klassieke muziek.

must

/mʌst/

(modal verb) moeten, vast en zeker;

(noun) vereiste, must

Voorbeeld:

You must finish your homework before you can play.
Je moet je huiswerk afmaken voordat je kunt spelen.

my

/maɪ/

(determiner) mijn;

(exclamation) mijn hemel, jeetje

Voorbeeld:

This is my book.
Dit is mijn boek.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland