Vocabulaireverzameling C1 - Een Verandering Veroorzaken! in Niveau C1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'C1 - Een Verandering Veroorzaken!' in 'Niveau C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) versnellen, bespoedigen
Voorbeeld:
(verb) accumuleren, ophopen, verzamelen
Voorbeeld:
(verb) waarderen, erkennen, inzien
Voorbeeld:
(phrasal verb) teweegbrengen, veroorzaken, leiden tot
Voorbeeld:
(verb) omzetten, verbouwen, converteren;
(noun) bekeerling, overtuigde
Voorbeeld:
(verb) verslechteren, achteruitgaan
Voorbeeld:
(verb) volgen, voortvloeien uit, ontstaan
Voorbeeld:
(verb) groeien, toenemen, verbouwen
Voorbeeld:
(verb) overtuigen, aanzetten, teweegbrengen
Voorbeeld:
(verb) duiken, storten, dalen;
(noun) daling, duik
Voorbeeld:
(verb) uitlokken, provoceren, aanzetten tot
Voorbeeld:
(noun) bijeenkomst, demonstratie, manifestatie;
(verb) herpakken, zich verzamelen, opleven
Voorbeeld:
(noun) raket, rucola;
(verb) omhoogschieten, snel stijgen
Voorbeeld:
(verb) zinken, dalen, laten zinken;
(noun) gootsteen, wastafel
Voorbeeld:
(phrasal verb) voortkomen uit, afstammen van
Voorbeeld:
(noun) golf, stroom, stijging;
(verb) stromen, golven, stijgen
Voorbeeld:
(verb) onderliggen, ten grondslag liggen aan
Voorbeeld:
(phrasal verb) snel groeien, omhoogschieten, snel stijgen
Voorbeeld:
(noun) ruil, uitwisseling;
(verb) ruilen, uitwisselen
Voorbeeld:
(adjective) ongunstig, nadelig, schadelijk
Voorbeeld:
(adjective) oorzakelijk
Voorbeeld:
(adjective) veroorzakend, oorzakelijk, causatief;
(noun) causatief, veroorzakend woord
Voorbeeld:
(adjective) daaruit voortvloeiend, gevolg, daaropvolgend
Voorbeeld:
(adjective) invloedrijk, gezaghebbend
Voorbeeld:
(adjective) onomkeerbaar, onherroepelijk
Voorbeeld:
(adjective) marginaal, rand-, bijkomstig
Voorbeeld:
(adjective) betekenisvol, zinvol, belangrijk
Voorbeeld:
(adjective) aanzienlijk, substantieel, belangrijk
Voorbeeld:
(adverb) waardoor, daardoor
Voorbeeld:
(noun) nasleep, gevolgen
Voorbeeld:
(noun) bijdrager, donateur, medewerker
Voorbeeld:
(noun) neergang, recessie, achteruitgang
Voorbeeld:
(verb) springen, sprong maken, snel bewegen;
(noun) sprong, beweging
Voorbeeld:
(noun) herstel, genezing, terugvordering
Voorbeeld:
(noun) bijwerking, neveneffect, onbedoeld gevolg
Voorbeeld:
(noun) weer;
(verb) verweren, aantasten, doorstaan
Voorbeeld: