Vocabulaireverzameling B2 - Weet je het zeker? in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B2 - Weet je het zeker?' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) verzekeren, garanderen
Voorbeeld:
(noun) weddenschap;
(verb) wedden, zeker zijn, vertrouwen hebben
Voorbeeld:
(verb) verzekeren, ervoor zorgen
Voorbeeld:
(noun) voorspelling, prognose;
(verb) voorspellen, prognostiseren
Voorbeeld:
(noun) garantie, waarborg, zekerheid;
(verb) garanderen, waarborgen, zekerstellen
Voorbeeld:
(verb) aarzelen, twijfelen
Voorbeeld:
(modal verb) zou moeten, behoort te
Voorbeeld:
(verb) herinneren, terugroepen, intrekken;
(noun) herinnering, terugroeping, terugroepactie
Voorbeeld:
(modal verb) zou moeten, dienen, waarschijnlijk
Voorbeeld:
(noun) verdachte;
(verb) vermoeden, argwaan hebben, aannemen;
(adjective) verdacht
Voorbeeld:
(modal verb) zou
Voorbeeld:
(verb) springen, hossen, begrenzen;
(adjective) begrensd, omsloten, op weg;
(noun) sprong, hup, grens
Voorbeeld:
(adjective) zeker, vaststaand, overtuigd;
(adverb) zeker, inderdaad;
(exclamation) zeker, natuurlijk
Voorbeeld:
(adjective) overtuigd, zeker;
(verb) overtuigen, doen geloven
Voorbeeld:
(adjective) verwacht;
(past participle) verwachten
Voorbeeld:
(adjective) onvermijdelijk, onafwendbaar
Voorbeeld:
(adjective) zeker, positief, duidelijk;
(noun) positief, dia
Voorbeeld:
(adjective) waarschijnlijk, aannemelijk
Voorbeeld:
(adjective) onzeker, onbepaald, twijfelachtig
Voorbeeld:
(adjective) onduidelijk, vaag, troebel
Voorbeeld:
(adverb) ongetwijfeld, zonder twijfel
Voorbeeld:
(noun) zekerheid, vastberadenheid, vaststaand feit
Voorbeeld:
(noun) vertrouwen, zelfvertrouwen, zelfverzekerdheid
Voorbeeld:
(noun) verwarring, verwarrendheid, verwisseling
Voorbeeld:
(noun) waarschijnlijkheid, kans, kansberekening
Voorbeeld:
(adverb) op de een of andere manier, hoe dan ook, om de een of andere reden
Voorbeeld:
(verb) bedriegen, misleiden
Voorbeeld:
(adverb) niet noodzakelijk, niet per se
Voorbeeld:
(noun) plan, regeling, complot;
(verb) complotteren, beramen
Voorbeeld:
(phrase) zeker weten, graag gedaan
Voorbeeld:
(phrasal verb) controleren, nakijken, uitchecken
Voorbeeld:
(phrasal verb) terugkomen op, breken
Voorbeeld: