Avatar of Vocabulary Set A2 - Oefening en Sport 1

Vocabulaireverzameling A2 - Oefening en Sport 1 in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Oefening en Sport 1' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

exercise

/ˈek.sɚ.saɪz/

(noun) beweging, oefening, opdracht;

(verb) sporten, oefenen, uitoefenen

Voorbeeld:

Regular exercise is important for a healthy lifestyle.
Regelmatige beweging is belangrijk voor een gezonde levensstijl.

field

/fiːld/

(noun) veld, akker, gebied;

(verb) beantwoorden, afhandelen

Voorbeeld:

The farmer walked across the field to check on his crops.
De boer liep over het veld om zijn gewassen te controleren.

football

/ˈfʊt.bɑːl/

(noun) voetbal, football, rugbybal

Voorbeeld:

He loves watching football on Sundays.
Hij kijkt graag naar voetbal op zondag.

throw

/θroʊ/

(verb) gooien, werpen, omverwerpen;

(noun) worp, gooi, plaid

Voorbeeld:

He decided to throw the ball to his dog.
Hij besloot de bal naar zijn hond te gooien.

kick

/kɪk/

(verb) schoppen, trap, stoppen met;

(noun) schop, trap, kick

Voorbeeld:

He tried to kick the ball into the goal.
Hij probeerde de bal in het doel te schoppen.

baseball

/ˈbeɪs.bɑːl/

(noun) honkbal

Voorbeeld:

My son loves to play baseball every weekend.
Mijn zoon speelt elk weekend graag honkbal.

hit

/hɪt/

(verb) slaan, raken, treffen;

(noun) slag, treffer, hit

Voorbeeld:

He accidentally hit his thumb with a hammer.
Hij sloeg per ongeluk zijn duim met een hamer.

catch

/kætʃ/

(verb) vangen, grijpen, betrappen;

(noun) vangbal, vangspel, addertje onder het gras

Voorbeeld:

She managed to catch the ball with one hand.
Ze slaagde erin de bal met één hand te vangen.

hockey

/ˈhɑː.ki/

(noun) ijshockey, hockey, veldhockey

Voorbeeld:

He plays hockey every winter.
Hij speelt elke winter hockey.

golf

/ɡɑːlf/

(noun) golf;

(verb) golfen

Voorbeeld:

He enjoys playing golf every weekend.
Hij speelt elk weekend graag golf.

rugby

/ˈrʌɡ.bi/

(noun) rugby

Voorbeeld:

He plays rugby for his local club.
Hij speelt rugby voor zijn plaatselijke club.

cricket

/ˈkrɪk.ɪt/

(noun) cricket, krekel

Voorbeeld:

They spent the afternoon playing cricket in the park.
Ze brachten de middag door met cricket spelen in het park.

field hockey

/ˈfiːld ˌhɑː.ki/

(noun) veld hockey

Voorbeeld:

She plays field hockey for her school team.
Ze speelt veld hockey voor haar schoolteam.

diving

/ˈdaɪ.vɪŋ/

(noun) duiken, schoonspringen

Voorbeeld:

She loves diving in the clear waters of the Caribbean.
Ze houdt van duiken in het heldere water van het Caribisch gebied.

dive

/daɪv/

(verb) duiken, springen, snel bewegen;

(noun) duik, sprong, daling

Voorbeeld:

He took a deep breath and dived into the pool.
Hij haalde diep adem en dook in het zwembad.

training

/ˈtreɪ.nɪŋ/

(noun) training, opleiding

Voorbeeld:

The company provides extensive training for new employees.
Het bedrijf biedt uitgebreide training voor nieuwe medewerkers.

train

/treɪn/

(noun) trein, sleep;

(verb) trainen, opleiden, oefenen

Voorbeeld:

The train arrived at the station on time.
De trein arriveerde op tijd op het station.

competition

/ˌkɑːm.pəˈtɪʃ.ən/

(noun) concurrentie, wedijver, wedstrijd

Voorbeeld:

There's fierce competition for jobs in the current market.
Er is felle concurrentie om banen op de huidige markt.

compete

/kəmˈpiːt/

(verb) concurreren, wedijveren

Voorbeeld:

Athletes compete for gold medals.
Atleten concurreren om gouden medailles.

jogging

/ˈdʒɑː.ɡɪŋ/

(noun) joggen, hardlopen

Voorbeeld:

She goes jogging every morning to stay fit.
Ze gaat elke ochtend joggen om fit te blijven.

jog

/dʒɑːɡ/

(verb) joggen, hardlopen, duwen;

(noun) jog, hardlooprondje, duw

Voorbeeld:

She likes to jog in the park every morning.
Ze houdt ervan om elke ochtend in het park te joggen.

climbing

/ˈklaɪ.mɪŋ/

(noun) klimmen, beklimming;

(adjective) stijgend, klimmend

Voorbeeld:

She enjoys rock climbing in her free time.
Ze geniet in haar vrije tijd van rotsklimmen.

climb

/klaɪm/

(verb) klimmen, stijgen, moeizaam klimmen;

(noun) klim, beklimming

Voorbeeld:

We watched the children climb the tree.
We keken hoe de kinderen de boom beklommen.

game

/ɡeɪm/

(noun) spel, sport, wild;

(verb) manipuleren, bedriegen;

(adjective) bereid, enthousiast

Voorbeeld:

Let's play a board game tonight.
Laten we vanavond een bordspel spelen.

player

/ˈpleɪ.ɚ/

(noun) speler, afspeelapparaat, muzikant

Voorbeeld:

He is a key player on the basketball team.
Hij is een belangrijke speler in het basketbalteam.

goal

/ɡoʊl/

(noun) doel, streven, doelpunt

Voorbeeld:

My main goal is to finish this project on time.
Mijn belangrijkste doel is om dit project op tijd af te krijgen.

score

/skɔːr/

(noun) score, puntentotaal, twintigtal;

(verb) scoren, punten maken, inkerven

Voorbeeld:

What's the final score of the game?
Wat is de eindstand van de wedstrijd?

coach

/koʊtʃ/

(noun) coach, trainer, bus;

(verb) coachen, trainen

Voorbeeld:

The football coach motivated his team.
De voetbalcoach motiveerde zijn team.

athlete

/ˈæθ.liːt/

(noun) atleet, sportman, sportvrouw

Voorbeeld:

The young athlete trained every day for the competition.
De jonge atleet trainde elke dag voor de wedstrijd.

cup

/kʌp/

(noun) kop, kopje, hoeveelheid van een kop;

(verb) hol maken, omvatten

Voorbeeld:

She poured hot tea into her favorite cup.
Ze schonk hete thee in haar favoriete kopje.

tired

/taɪrd/

(adjective) moe, vermoeid, zat

Voorbeeld:

I'm so tired, I could sleep for a week.
Ik ben zo moe, ik zou een week kunnen slapen.

join

/dʒɔɪn/

(verb) verbinden, samenvoegen, zich aansluiten bij;

(noun) verbinding, voeg

Voorbeeld:

The two pieces of wood were joined with glue.
De twee stukken hout werden met lijm verbonden.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland