Vocabulaireverzameling A2 - Oefening en Sport 1 in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Oefening en Sport 1' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) beweging, oefening, opdracht;
(verb) sporten, oefenen, uitoefenen
Voorbeeld:
(noun) veld, akker, gebied;
(verb) beantwoorden, afhandelen
Voorbeeld:
(noun) voetbal, football, rugbybal
Voorbeeld:
(verb) gooien, werpen, omverwerpen;
(noun) worp, gooi, plaid
Voorbeeld:
(verb) schoppen, trap, stoppen met;
(noun) schop, trap, kick
Voorbeeld:
(noun) honkbal
Voorbeeld:
(verb) slaan, raken, treffen;
(noun) slag, treffer, hit
Voorbeeld:
(verb) vangen, grijpen, betrappen;
(noun) vangbal, vangspel, addertje onder het gras
Voorbeeld:
(noun) ijshockey, hockey, veldhockey
Voorbeeld:
(noun) golf;
(verb) golfen
Voorbeeld:
(noun) rugby
Voorbeeld:
(noun) cricket, krekel
Voorbeeld:
(noun) veld hockey
Voorbeeld:
(noun) duiken, schoonspringen
Voorbeeld:
(verb) duiken, springen, snel bewegen;
(noun) duik, sprong, daling
Voorbeeld:
(noun) training, opleiding
Voorbeeld:
(noun) trein, sleep;
(verb) trainen, opleiden, oefenen
Voorbeeld:
(noun) concurrentie, wedijver, wedstrijd
Voorbeeld:
(verb) concurreren, wedijveren
Voorbeeld:
(noun) joggen, hardlopen
Voorbeeld:
(verb) joggen, hardlopen, duwen;
(noun) jog, hardlooprondje, duw
Voorbeeld:
(noun) klimmen, beklimming;
(adjective) stijgend, klimmend
Voorbeeld:
(verb) klimmen, stijgen, moeizaam klimmen;
(noun) klim, beklimming
Voorbeeld:
(noun) spel, sport, wild;
(verb) manipuleren, bedriegen;
(adjective) bereid, enthousiast
Voorbeeld:
(noun) speler, afspeelapparaat, muzikant
Voorbeeld:
(noun) doel, streven, doelpunt
Voorbeeld:
(noun) score, puntentotaal, twintigtal;
(verb) scoren, punten maken, inkerven
Voorbeeld:
(noun) coach, trainer, bus;
(verb) coachen, trainen
Voorbeeld:
(noun) atleet, sportman, sportvrouw
Voorbeeld:
(noun) kop, kopje, hoeveelheid van een kop;
(verb) hol maken, omvatten
Voorbeeld:
(adjective) moe, vermoeid, zat
Voorbeeld:
(verb) verbinden, samenvoegen, zich aansluiten bij;
(noun) verbinding, voeg
Voorbeeld: