Avatar of Vocabulary Set Ledematen

Vocabulaireverzameling Ledematen in Lichaam: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Ledematen' in 'Lichaam' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

groin

/ɡrɔɪn/

(noun) lies, gewelfrib, kruisgewelf

Voorbeeld:

He pulled a muscle in his groin while playing soccer.
Hij verrekte een spier in zijn lies tijdens het voetballen.

leg

/leɡ/

(noun) been, poot, etappe;

(verb) lopen, rennen

Voorbeeld:

She broke her leg playing soccer.
Ze brak haar been tijdens het voetballen.

shin

/ʃɪn/

(noun) scheenbeen;

(verb) klimmen, opklimmen

Voorbeeld:

He kicked the ball with his shin.
Hij schopte de bal met zijn scheenbeen.

thigh

/θaɪ/

(noun) dij

Voorbeeld:

She had strong thighs from cycling.
Ze had sterke dijen van het fietsen.

wrist

/rɪst/

(noun) pols

Voorbeeld:

She wears a watch on her left wrist.
Ze draagt een horloge om haar linkerpols.

arch

/ɑːrtʃ/

(noun) boog, voetboog;

(verb) buigen, welven;

(adjective) ondeugend, schelmachtig

Voorbeeld:

The bridge has a beautiful stone arch.
De brug heeft een prachtige stenen boog.

ball

/bɑːl/

(noun) bal, dansfeest;

(verb) ballen, opballen

Voorbeeld:

The children were playing with a red ball in the park.
De kinderen speelden met een rode bal in het park.

big toe

/ˌbɪɡ ˈtoʊ/

(noun) grote teen

Voorbeeld:

She stubbed her big toe on the corner of the table.
Ze stootte haar grote teen tegen de hoek van de tafel.

toenail

/ˈtoʊ.neɪl/

(noun) teennagel

Voorbeeld:

She painted her toenails a bright red.
Ze lakte haar teennagels felrood.

finger

/ˈfɪŋ.ɡɚ/

(noun) vinger;

(verb) aanraken, voelen

Voorbeeld:

She pointed with her index finger.
Ze wees met haar wijsvinger.

fingernail

/ˈfɪŋ.ɡɚ.neɪl/

(noun) vingernagel

Voorbeeld:

She bit her fingernails when she was nervous.
Ze beet op haar vingernagels als ze nerveus was.

fingertip

/ˈfɪŋ.ɡɚ.tɪp/

(noun) vingertop

Voorbeeld:

She touched the delicate flower with her fingertips.
Ze raakte de delicate bloem aan met haar vingertoppen.

fist

/fɪst/

(noun) vuist;

(verb) ballen, tot een vuist maken

Voorbeeld:

He clenched his fist in anger.
Hij balde zijn vuist van woede.

first finger

/ˈfɜːrst ˈfɪŋ.ɡər/

(noun) wijsvinger

Voorbeeld:

Point with your first finger to show me where it is.
Wijs met je wijsvinger om me te laten zien waar het is.

forefinger

/ˈfɔːrˌfɪŋ.ɡɚ/

(noun) wijsvinger

Voorbeeld:

He pointed with his forefinger to the map.
Hij wees met zijn wijsvinger naar de kaart.

index finger

/ˈɪn.deks ˌfɪŋ.ɡər/

(noun) wijsvinger

Voorbeeld:

He pointed with his index finger.
Hij wees met zijn wijsvinger.

middle finger

/ˈmɪd.əl ˈfɪŋ.ɡər/

(noun) middelvinger, obsceen gebaar

Voorbeeld:

He wears a ring on his middle finger.
Hij draagt een ring aan zijn middelvinger.

ring finger

/ˈrɪŋ ˌfɪŋ.ɡər/

(noun) ringvinger

Voorbeeld:

She wears her engagement ring on her left ring finger.
Ze draagt haar verlovingsring aan haar linker ringvinger.

little finger

/ˈlɪt.əl ˈfɪŋ.ɡər/

(noun) pink

Voorbeeld:

She wears a delicate ring on her little finger.
Ze draagt een delicate ring aan haar pink.

thumb

/θʌm/

(noun) duim;

(verb) doorbladeren, doorlezen, liften

Voorbeeld:

He gave a thumbs-up to show approval.
Hij gaf een duim omhoog om goedkeuring te tonen.

heel

/hiːl/

(noun) hiel, hak, hiel (van sok);

(verb) hellen, volgen

Voorbeeld:

She wore shoes with high heels.
Ze droeg schoenen met hoge hakken.

instep

/ˈɪn.step/

(noun) wreef

Voorbeeld:

He kicked the ball with the instep of his foot.
Hij schopte de bal met de wreef van zijn voet.

knuckle

/ˈnʌk.əl/

(noun) knokkel, schenkel, hiel;

(verb) slaan met knokkels

Voorbeeld:

He scraped his knuckles when he fell.
Hij schaafde zijn knokkels toen hij viel.

nail

/neɪl/

(noun) spijker, nagel;

(verb) spijkeren, vastspijkeren, pakken

Voorbeeld:

He hammered a nail into the wall to hang the picture.
Hij sloeg een spijker in de muur om de foto op te hangen.

nail bed

/ˈneɪl bed/

(noun) nagelbed

Voorbeeld:

She painted her nails, being careful not to get polish on her nail bed.
Ze lakte haar nagels, voorzichtig om geen nagellak op haar nagelbed te krijgen.

palm

/pɑːm/

(noun) handpalm, palmboom;

(verb) verbergen, verstoppen, verpatsen

Voorbeeld:

She held the small bird gently in her palm.
Ze hield het kleine vogeltje voorzichtig in haar handpalm.

pinky

/ˈpɪŋ.ki/

(noun) pink

Voorbeeld:

She held up her pinky to make a promise.
Ze stak haar pink op om een belofte te doen.

shank

/ʃæŋk/

(noun) scheenbeen, schenkel, mes;

(verb) neersteken, steken

Voorbeeld:

He got a deep cut on his shank while hiking.
Hij kreeg een diepe snee op zijn scheenbeen tijdens het wandelen.

sole

/soʊl/

(noun) voetzool, zool, tong;

(adjective) enig, alleen;

(verb) verzolen

Voorbeeld:

He had a blister on the sole of his foot.
Hij had een blaar op de voetzool.

toe

/toʊ/

(noun) teen, neus, teen (van sok);

(verb) tikken met de teen, aanraken met de teen

Voorbeeld:

She stubbed her toe on the table leg.
Ze stootte haar teen tegen de tafelpoot.

calf

/kæf/

(noun) kalf, kuit, ijskalf

Voorbeeld:

The farmer watched the newborn calf take its first wobbly steps.
De boer keek hoe het pasgeboren kalf zijn eerste wankele stappen zette.

foot

/fʊt/

(noun) voet, lengtemaat, onderkant;

(verb) lopen, te voet gaan, betalen

Voorbeeld:

He hurt his foot playing soccer.
Hij bezeerde zijn voet tijdens het voetballen.

knee

/niː/

(noun) knie;

(verb) knielen, met de knie slaan

Voorbeeld:

He fell and scraped his knee.
Hij viel en schaafde zijn knie.

arm

/ɑːrm/

(noun) arm, wapen;

(verb) bewapenen

Voorbeeld:

She held the baby in her arms.
Ze hield de baby in haar armen.

armpit

/ˈɑːrm.pɪt/

(noun) oksel

Voorbeeld:

She applied deodorant to her armpits.
Ze bracht deodorant aan op haar oksel.

hand

/hænd/

(noun) hand, handschrift, wijzer;

(verb) overhandigen, aanreiken

Voorbeeld:

She waved her hand to say goodbye.
Ze zwaaide met haar hand om gedag te zeggen.

elbow

/ˈel.boʊ/

(noun) elleboog, bocht, elleboogstuk;

(verb) ellebogen, zich een weg banen

Voorbeeld:

He hit his elbow on the table.
Hij stootte zijn elleboog tegen de tafel.

forearm

/ˈfɔːr.ɑːrm/

(noun) onderarm;

(verb) vooraf bewapenen, vooraf uitrusten

Voorbeeld:

He protected his face with his forearm.
Hij beschermde zijn gezicht met zijn onderarm.

lap

/læp/

(noun) schoot, ronde;

(verb) klotsen, likken, lappen

Voorbeeld:

The child sat on her mother's lap.
Het kind zat op de schoot van haar moeder.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland