Vocabulaireverzameling Ledematen in Lichaam: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Ledematen' in 'Lichaam' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) lies, gewelfrib, kruisgewelf
Voorbeeld:
(noun) been, poot, etappe;
(verb) lopen, rennen
Voorbeeld:
(noun) scheenbeen;
(verb) klimmen, opklimmen
Voorbeeld:
(noun) dij
Voorbeeld:
(noun) pols
Voorbeeld:
(noun) boog, voetboog;
(verb) buigen, welven;
(adjective) ondeugend, schelmachtig
Voorbeeld:
(noun) bal, dansfeest;
(verb) ballen, opballen
Voorbeeld:
(noun) grote teen
Voorbeeld:
(noun) teennagel
Voorbeeld:
(noun) vinger;
(verb) aanraken, voelen
Voorbeeld:
(noun) vingernagel
Voorbeeld:
(noun) vingertop
Voorbeeld:
(noun) vuist;
(verb) ballen, tot een vuist maken
Voorbeeld:
(noun) wijsvinger
Voorbeeld:
(noun) wijsvinger
Voorbeeld:
(noun) wijsvinger
Voorbeeld:
(noun) middelvinger, obsceen gebaar
Voorbeeld:
(noun) ringvinger
Voorbeeld:
(noun) pink
Voorbeeld:
(noun) duim;
(verb) doorbladeren, doorlezen, liften
Voorbeeld:
(noun) hiel, hak, hiel (van sok);
(verb) hellen, volgen
Voorbeeld:
(noun) wreef
Voorbeeld:
(noun) knokkel, schenkel, hiel;
(verb) slaan met knokkels
Voorbeeld:
(noun) spijker, nagel;
(verb) spijkeren, vastspijkeren, pakken
Voorbeeld:
(noun) nagelbed
Voorbeeld:
(noun) handpalm, palmboom;
(verb) verbergen, verstoppen, verpatsen
Voorbeeld:
(noun) pink
Voorbeeld:
(noun) scheenbeen, schenkel, mes;
(verb) neersteken, steken
Voorbeeld:
(noun) voetzool, zool, tong;
(adjective) enig, alleen;
(verb) verzolen
Voorbeeld:
(noun) teen, neus, teen (van sok);
(verb) tikken met de teen, aanraken met de teen
Voorbeeld:
(noun) kalf, kuit, ijskalf
Voorbeeld:
(noun) voet, lengtemaat, onderkant;
(verb) lopen, te voet gaan, betalen
Voorbeeld:
(noun) knie;
(verb) knielen, met de knie slaan
Voorbeeld:
(noun) arm, wapen;
(verb) bewapenen
Voorbeeld:
(noun) oksel
Voorbeeld:
(noun) hand, handschrift, wijzer;
(verb) overhandigen, aanreiken
Voorbeeld:
(noun) elleboog, bocht, elleboogstuk;
(verb) ellebogen, zich een weg banen
Voorbeeld:
(noun) onderarm;
(verb) vooraf bewapenen, vooraf uitrusten
Voorbeeld:
(noun) schoot, ronde;
(verb) klotsen, likken, lappen
Voorbeeld: