Vocabulaireverzameling Algemene woorden gerelateerd aan het lichaam in Lichaam: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Algemene woorden gerelateerd aan het lichaam' in 'Lichaam' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) anatomie, lichaamsbouw, analyse
Voorbeeld:
(noun) orgaan, orgel, spreekbuis
Voorbeeld:
(noun) opening, monding
Voorbeeld:
(noun) vlees, lichaam, vruchtvlees;
(verb) uitwerken, verdiepen
Voorbeeld:
(noun) vet;
(adjective) dik, vet, groot
Voorbeeld:
(noun) romp, bovenlichaam
Voorbeeld:
(noun) stam, slurf, koffer
Voorbeeld:
(noun) zenuwstelsel
Voorbeeld:
(noun) hormoon
Voorbeeld:
(noun) beenmerg
Voorbeeld:
(noun) kanaal, buis;
(verb) leiden, geleiden
Voorbeeld:
(noun) slijm
Voorbeeld:
(noun) slijm, flegma, kalmte
Voorbeeld:
(noun) lymfatisch systeem
Voorbeeld:
(noun) bloedbaan, bloedsomloop
Voorbeeld:
(noun) circulatie, doorbloeding, oplage
Voorbeeld:
(noun) pols, puls, impuls;
(verb) pulseren, kloppen
Voorbeeld:
(noun) metabolisme, stofwisseling
Voorbeeld:
(noun) adem, ademhaling, pauze
Voorbeeld:
(noun) ademhaling;
(verb) ademend
Voorbeeld:
(noun) inademing, inhalatie
Voorbeeld:
(noun) luchtweg, ademweg, luchtroute
Voorbeeld:
(noun) membraan, vlies, folie
Voorbeeld:
(noun) sinus, holte, sinuscurve
Voorbeeld:
(noun) weefsel, zakdoekje, tissue
Voorbeeld:
(noun) cel, batterij, mobiel
Voorbeeld:
(verb) metaboliseren, verteren
Voorbeeld:
(noun) vestibule, voorportaal, hal
Voorbeeld:
(noun) rug, bovenkant
Voorbeeld:
(noun) kwab, oorlel
Voorbeeld:
(adjective) duodenaal
Voorbeeld:
(adjective) intestinaal, darm-
Voorbeeld:
(noun) halsader, jugularis;
(adjective) halsader-, jugulair, zwakke plek
Voorbeeld:
(noun) motor;
(verb) rijden, met de auto gaan
Voorbeeld:
(adjective) gespierd, krachtig, spier-
Voorbeeld:
(adjective) nasaal, neus-, neusklank;
(noun) nasaal, neusklank
Voorbeeld:
(adjective) oraal, mond-, mondeling;
(noun) mondeling examen, mondelinge toets
Voorbeeld:
(adjective) pancreas-, alvleesklier-
Voorbeeld:
(adjective) bekken-
Voorbeeld:
(adverb) fysiek, lichamelijk, met fysiek contact
Voorbeeld:
(adjective) nier-, renaal
Voorbeeld:
(adjective) retinaal, netvlies-;
(noun) retinal
Voorbeeld:
(adjective) spinaal, ruggenmerg
Voorbeeld:
(adjective) baarmoeder-
Voorbeeld:
(adjective) wervel-, vertebraal
Voorbeeld:
(noun) kaak, ingang, opening;
(verb) klagen, praten
Voorbeeld:
(adjective) craniaal, schedel-
Voorbeeld:
(adjective) wereldlijk, tijdelijk, temporeel
Voorbeeld: