Avatar of Vocabulary Set Collectieve zelfstandige naamwoorden voor dieren

Vocabulaireverzameling Collectieve zelfstandige naamwoorden voor dieren in Dieren: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Collectieve zelfstandige naamwoorden voor dieren' in 'Dieren' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

band

/bænd/

(noun) band, strook, bereik;

(verb) banden, vastbinden, verenigen

Voorbeeld:

The band played all their greatest hits.
De band speelde al hun grootste hits.

herd

/hɝːd/

(noun) kudde, menigte, massa;

(verb) drijven, bijeenbrengen

Voorbeeld:

A herd of elephants crossed the savanna.
Een kudde olifanten stak de savanne over.

pod

/pɑːd/

(noun) peul, capsule, houder;

(verb) doppen, schillen

Voorbeeld:

She shelled the peas from their pods.
Ze dopte de erwten uit hun peulen.

swarm

/swɔːrm/

(noun) zwerm, menigte, massa;

(verb) zwermen, zich verzamelen, wimmelen van

Voorbeeld:

A swarm of bees attacked the picnic.
Een zwerm bijen viel de picknick aan.

cattle

/ˈkæt̬.əl/

(noun) vee, runderen

Voorbeeld:

The farmer herded his cattle into the barn.
De boer dreef zijn vee de schuur in.

caravan

/ˈker.ə.væn/

(noun) caravan, woonwagen, karavaan

Voorbeeld:

They spent their summer holidays traveling in a caravan.
Ze brachten hun zomervakantie door met reizen in een caravan.

flight

/flaɪt/

(noun) vlucht, zwerm, trap

Voorbeeld:

The bird took flight from the branch.
De vogel nam de vlucht van de tak.

sloth

/slɑːθ/

(noun) luiaard, luiheid, traagheid

Voorbeeld:

The sloth moved so slowly, it was hard to tell if it was even alive.
De luiaard bewoog zo langzaam, het was moeilijk te zeggen of hij überhaupt leefde.

drove

/droʊv/

(verb) reed;

(noun) kudde, menigte

Voorbeeld:

He drove to work every day.
Hij reed elke dag naar zijn werk.

pack

/pæk/

(noun) pak, rugzak, bundel;

(verb) inpakken, verpakken, vullen

Voorbeeld:

He carried a large pack on his back.
Hij droeg een grote rugzak op zijn rug.

flock

/flɑːk/

(noun) zwerm, kudde, menigte;

(verb) stromen, zich verzamelen

Voorbeeld:

A large flock of birds flew overhead.
Een grote zwerm vogels vloog over.

harem

/ˈher.əm/

(noun) harem

Voorbeeld:

The women of the royal family resided in the palace's harem.
De vrouwen van de koninklijke familie woonden in de harem van het paleis.

colony

/ˈkɑː.lə.ni/

(noun) kolonie, groep

Voorbeeld:

India was once a British colony.
India was ooit een Britse kolonie.

pride

/praɪd/

(noun) trots, fierheid, hoogmoed;

(verb) trots zijn op, zich beroemen op

Voorbeeld:

She felt a great sense of pride as she watched her daughter graduate.
Ze voelde een groot gevoel van trots toen ze haar dochter zag afstuderen.

shoal

/ʃoʊl/

(noun) school, zwerm, ondiepte;

(verb) ondieper worden, verlanden, scholen

Voorbeeld:

A large shoal of fish swam past the boat.
Een grote school vissen zwom langs de boot.

plague

/pleɪɡ/

(noun) plaag, pest, overlast;

(verb) plagen, teisteren

Voorbeeld:

The Black Death was a devastating plague that swept across Europe in the 14th century.
De Zwarte Dood was een verwoestende plaag die in de 14e eeuw door Europa trok.

gaggle

/ˈɡæɡ.əl/

(noun) troep ganzen, groep, menigte;

(verb) gaggelen, snateren

Voorbeeld:

A gaggle of geese waddled across the road.
Een troep ganzen waggelde over de weg.

school

/skuːl/

(noun) school, schooltijd, les;

(verb) onderwijzen, scholen

Voorbeeld:

My daughter starts school next year.
Mijn dochter begint volgend jaar met school.

stand

/stænd/

(verb) staan, plaatsen, zetten;

(noun) standaard, rek, standpunt

Voorbeeld:

Please stand when the judge enters.
Gelieve te staan wanneer de rechter binnenkomt.

parliament

/ˈpɑːr.lə.mənt/

(noun) parlement, wetgevende macht

Voorbeeld:

The new law was passed by Parliament.
De nieuwe wet werd aangenomen door het Parlement.

shrewdness

/ˈʃruːd.nəs/

(noun) scherpzinnigheid, slimheid, doortraptheid

Voorbeeld:

Her business shrewdness helped her succeed in a competitive market.
Haar zakelijke scherpzinnigheid hielp haar slagen in een competitieve markt.

skulk

/skʌlk/

(verb) sluipen, rondsluipen, zich schuilhouden;

(noun) sluipmoordenaar, schuiler

Voorbeeld:

He was seen skulking around the abandoned building.
Hij werd gezien terwijl hij rondsluipt rond het verlaten gebouw.

covey

/ˈkʌv.i/

(noun) groepje, zwerm, clubje

Voorbeeld:

A covey of quail scattered as we approached.
Een groepje kwartels verspreidde zich toen we naderden.

muster

/ˈmʌs.tɚ/

(verb) verzamelen, bijeenbrengen, opbrengen;

(noun) opkomst, verzameling

Voorbeeld:

The general ordered his troops to muster at dawn.
De generaal beval zijn troepen om bij zonsopgang te verzamelen.

sounder

/ˈsaʊn.dər/

(noun) dieptemeter, echolood, geluidsmaker;

(adjective) gezonder, steviger

Voorbeeld:

The fishing boat used a sounder to locate schools of fish.
De vissersboot gebruikte een dieptemeter om scholen vis te lokaliseren.

clowder

/ˈklaʊ.dər/

(noun) groep katten, kudde katten

Voorbeeld:

A clowder of cats was basking in the sun on the porch.
Een groep katten lag te zonnen op de veranda.

destruction

/dɪˈstrʌk.ʃən/

(noun) vernietiging, verwoesting, ruïne

Voorbeeld:

The earthquake caused widespread destruction.
De aardbeving veroorzaakte wijdverspreide vernietiging.

bed

/bed/

(noun) bed, bedding, bodem;

(verb) naar bed brengen, te slapen leggen, planten

Voorbeeld:

I'm so tired, I just want to go to bed.
Ik ben zo moe, ik wil gewoon naar bed.

embarrassment

/ɪmˈber.əs.mənt/

(noun) schaamte, verlegenheid, gêne

Voorbeeld:

She felt a blush of embarrassment creep up her neck when she tripped.
Ze voelde een blos van schaamte in haar nek kruipen toen ze struikelde.

zeal

/ziːl/

(noun) ijver, enthousiasme, gedrevenheid

Voorbeeld:

Her zeal for social justice was inspiring.
Haar ijver voor sociale rechtvaardigheid was inspirerend.

kine

/kaɪn/

(plural noun) runderen, koeien

Voorbeeld:

The farmer led his kine to pasture.
De boer leidde zijn runderen naar de weide.

murder

/ˈmɝː.dɚ/

(noun) moord, marteling, hel;

(verb) vermoorden, doden, verpesten

Voorbeeld:

He was charged with murder.
Hij werd aangeklaagd voor moord.

bevy

/ˈbev.i/

(noun) groep, zwerm, groep vogels

Voorbeeld:

A bevy of reporters surrounded the celebrity.
Een groep verslaggevers omringde de beroemdheid.

unkindness

/ʌnˈkaɪnd.nəs/

(noun) onvriendelijkheid, onbeleefdheid, hardheid

Voorbeeld:

His constant unkindness made her feel unwelcome.
Zijn constante onvriendelijkheid zorgde ervoor dat ze zich onwelkom voelde.

watch

/wɑːtʃ/

(verb) kijken, observeren, opletten;

(noun) horloge, wacht, bewaking

Voorbeeld:

I like to watch movies on weekends.
Ik kijk graag films in het weekend.

labor

/ˈleɪ.bɚ/

(noun) arbeid, werk, bevalling;

(verb) zwoegen, hard werken

Voorbeeld:

The construction project required a lot of manual labor.
Het bouwproject vereiste veel handmatige arbeid.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland