Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 22 - Een spoedvergadering: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 22 - Een spoedvergadering' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) agenda, plan, doelstelling
Voorbeeld:
(verb) bijeenkomen, samenroepen, samenzijn
Voorbeeld:
(verb) weerleggen, ontkrachten, ontkennen
Voorbeeld:
(noun) coördinatie, afstemming, motoriek
Voorbeeld:
(adjective) unanime, eensgezind
Voorbeeld:
(verb) overtuigen
Voorbeeld:
(noun) consensus, overeenstemming
Voorbeeld:
(verb) uitstellen, verschuiven, zich schikken naar
Voorbeeld:
(adverb) meestal, gewoonlijk
Voorbeeld:
(verb) verplaatsen, herplannen
Voorbeeld:
(noun) vergadering, bijeenkomst, ontmoeting;
(verb) ontmoetend, vergaderend
Voorbeeld:
(verb) bepalen, vaststellen, uitvinden
Voorbeeld:
(noun) rapport, verslag, knal;
(verb) melden, verslag doen, rapporteren aan
Voorbeeld:
(noun) opmerking, commentaar;
(verb) commentaar geven, opmerken
Voorbeeld:
(noun) fase, stadium;
(verb) geleidelijk invoeren, geleidelijk afbouwen
Voorbeeld:
(verb) goedkeuren, instemmen met
Voorbeeld:
(adjective) omsloten, ingesloten, bijgevoegd;
(verb) bijvoegen, insluiten, omsluiten
Voorbeeld:
(adjective) gemakkelijk, eenvoudig, ontspannen;
(adverb) gemakkelijk, eenvoudig;
(exclamation) rustig, voorzichtig
Voorbeeld:
(noun) plaat, grammofoonplaat, record;
(verb) opnemen, vastleggen, registreren
Voorbeeld:
(noun) suggestie, voorstel, ingeving
Voorbeeld:
(noun) aandacht, concentratie, zorg;
(exclamation) houding, militaire aandacht
Voorbeeld:
(noun) voorwerp, object, doel;
(verb) bezwaar maken, tegenwerpen
Voorbeeld:
(adverb) toevallig, bij toeval
Voorbeeld:
(adjective) druk, overvol
Voorbeeld:
(verb) ondergaan, doorstaan
Voorbeeld:
(noun) uitkomst, resultaat, gevolg
Voorbeeld:
(adverb) op het nippertje, net, nauwelijks
Voorbeeld:
(verb) verschillen, afwijken, verschillen van mening
Voorbeeld:
(verb) bespreken, discussiëren
Voorbeeld:
(verb) geven, schenken, afgeven;
(noun) rek, elasticiteit
Voorbeeld:
(adjective) kort, bondig, beknopt;
(noun) briefing, instructie, slip;
(verb) briefen, informeren
Voorbeeld:
(verb) afleiden, afwenden
Voorbeeld:
(noun) nadruk, accent, belang
Voorbeeld:
(verb) drukken, persen, strijken;
(noun) pers, media, drukpers
Voorbeeld:
(verb) ordenen, organiseren, regelen
Voorbeeld:
(verb) vermelden, noemen;
(noun) vermelding, aanduiding
Voorbeeld:
(adjective) overtuigend, persuasief
Voorbeeld:
(noun) begrip, inzicht, medeleven;
(adjective) begripvol, meevoelend
Voorbeeld:
(verb) uitstellen, schorsen
Voorbeeld:
(adjective) constructief, opbouwend, bouwkundig
Voorbeeld:
(verb) voorzitten, leiden
Voorbeeld:
(adjective) irrelevant, onbelangrijk
Voorbeeld:
(noun) beperking, dwang, terughoudendheid
Voorbeeld: