Vocabulaireverzameling Atletiek in Essentiële woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Atletiek' in 'Essentiële woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) atletiek, sport, atletisch vermogen
Voorbeeld:
(noun) toernooi
Voorbeeld:
(noun) competitie, liga, bond;
(verb) verenigen, verbonden
Voorbeeld:
(noun) arena, stadion, hal
Voorbeeld:
(noun) toonhoogte, worp, gooi;
(verb) gooien, werpen, opzetten
Voorbeeld:
(noun) kampioenschap, wedstrijd, titel
Voorbeeld:
(noun) toeschouwer, kijker
Voorbeeld:
(noun) vechtsport, krijgskunst
Voorbeeld:
(noun) ring, cirkel, bel;
(verb) rinkelen, luiden, bellen
Voorbeeld:
(noun) scheidsrechter, arbiter;
(verb) scheidsrechteren, leiden
Voorbeeld:
(noun) slag, streek, beroerte;
(verb) aaien, strelen, slaan
Voorbeeld:
(verb) slaan, treffen, staken;
(noun) staking, slag, aanval
Voorbeeld:
(verb) aanpakken, tackle, ingreep;
(noun) takel, gerei, tackle
Voorbeeld:
(noun) overtreding, misdrijf, aanstoot
Voorbeeld:
(noun) verdediging, bescherming, pleidooi
Voorbeeld:
(noun) scheidsrechter, arbiter;
(verb) scheidsrechteren, arbitreren
Voorbeeld:
(noun) das, stropdas, gelijkspel;
(verb) binden, vastmaken, gelijkspelen
Voorbeeld:
(verb) tekenen, trekken, aantrekken;
(noun) gelijkspel, trek, aantrekkingskracht
Voorbeeld:
(adjective) vies, vuil, stinkend;
(noun) overtreding, fout;
(verb) overtreden, een overtreding begaan
Voorbeeld:
(preposition) tegen, versus, in tegenstelling tot
Voorbeeld:
(adjective) langlauf, veldloop, binnenlands;
(adverb) cross-country, door het land
Voorbeeld:
(noun) turner, turnster
Voorbeeld:
(noun) zwaargewicht, invloedrijk persoon;
(adjective) zwaargewicht, invloedrijk
Voorbeeld:
(adjective) lichtgewicht, oppervlakkig, onbeduidend;
(noun) lichtgewicht, onbeduidend persoon
Voorbeeld:
(verb) sprinten, spurten;
(noun) sprint, spurt
Voorbeeld:
(noun) trofee, beker, souvenir
Voorbeeld:
(noun) doping
Voorbeeld:
(noun) overwinning, zege
Voorbeeld:
(noun) marathon, uitputtende taak, langdurig evenement
Voorbeeld:
(noun) atletiek
Voorbeeld:
(noun) club, vereniging, knuppel;
(verb) slaan, knuppelen
Voorbeeld: