Avatar of Vocabulary Set Atletiek

Vocabulaireverzameling Atletiek in Essentiële woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Atletiek' in 'Essentiële woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

athletics

/æθˈlet̬.ɪks/

(noun) atletiek, sport, atletisch vermogen

Voorbeeld:

She excels in track and field athletics.
Ze blinkt uit in baan- en veldatletiek.

tournament

/ˈtɝː.nə.mənt/

(noun) toernooi

Voorbeeld:

The chess tournament attracted players from all over the world.
Het schaaktoernooi trok spelers van over de hele wereld aan.

league

/liːɡ/

(noun) competitie, liga, bond;

(verb) verenigen, verbonden

Voorbeeld:

Our team joined the local football league.
Ons team sloot zich aan bij de plaatselijke voetbalcompetitie.

arena

/əˈriː.nə/

(noun) arena, stadion, hal

Voorbeeld:

The concert will be held at the new sports arena.
Het concert wordt gehouden in de nieuwe sportarena.

pitch

/pɪtʃ/

(noun) toonhoogte, worp, gooi;

(verb) gooien, werpen, opzetten

Voorbeeld:

Her voice rose to a high pitch.
Haar stem steeg naar een hoge toonhoogte.

championship

/ˈtʃæm.pi.ən.ʃɪp/

(noun) kampioenschap, wedstrijd, titel

Voorbeeld:

The team won the national championship.
Het team won het nationale kampioenschap.

spectator

/spekˈteɪ.t̬ɚ/

(noun) toeschouwer, kijker

Voorbeeld:

The spectators cheered loudly for their team.
De toeschouwers juichten luid voor hun team.

martial art

/ˌmɑːr.ʃəl ˈɑːrt/

(noun) vechtsport, krijgskunst

Voorbeeld:

He has been practicing martial arts for over ten years.
Hij beoefent al meer dan tien jaar vechtsporten.

ring

/rɪŋ/

(noun) ring, cirkel, bel;

(verb) rinkelen, luiden, bellen

Voorbeeld:

She wore a beautiful diamond ring on her left hand.
Ze droeg een prachtige diamanten ring aan haar linkerhand.

referee

/ˌref.əˈriː/

(noun) scheidsrechter, arbiter;

(verb) scheidsrechteren, leiden

Voorbeeld:

The referee blew the whistle to signal the end of the game.
De scheidsrechter blies op de fluit om het einde van de wedstrijd aan te geven.

stroke

/stroʊk/

(noun) slag, streek, beroerte;

(verb) aaien, strelen, slaan

Voorbeeld:

He delivered a powerful stroke with his tennis racket.
Hij gaf een krachtige slag met zijn tennisracket.

strike

/straɪk/

(verb) slaan, treffen, staken;

(noun) staking, slag, aanval

Voorbeeld:

He raised his hand to strike the ball.
Hij hief zijn hand op om de bal te slaan.

tackle

/ˈtæk.əl/

(verb) aanpakken, tackle, ingreep;

(noun) takel, gerei, tackle

Voorbeeld:

The government is trying to tackle inflation.
De regering probeert de inflatie aan te pakken.

offense

/əˈfens/

(noun) overtreding, misdrijf, aanstoot

Voorbeeld:

He was charged with a minor traffic offense.
Hij werd aangeklaagd voor een kleine verkeersovertreding.

defense

/dɪˈfens/

(noun) verdediging, bescherming, pleidooi

Voorbeeld:

The city's defense against the invaders was strong.
De verdediging van de stad tegen de indringers was sterk.

umpire

/ˈʌm.paɪr/

(noun) scheidsrechter, arbiter;

(verb) scheidsrechteren, arbitreren

Voorbeeld:

The baseball umpire made a controversial call at home plate.
De honkbalscheidsrechter nam een controversiële beslissing bij de thuisplaat.

tie

/taɪ/

(noun) das, stropdas, gelijkspel;

(verb) binden, vastmaken, gelijkspelen

Voorbeeld:

He wore a suit and a red tie to the wedding.
Hij droeg een pak en een rode das naar de bruiloft.

draw

/drɑː/

(verb) tekenen, trekken, aantrekken;

(noun) gelijkspel, trek, aantrekkingskracht

Voorbeeld:

She likes to draw animals.
Ze houdt ervan om dieren te tekenen.

foul

/faʊl/

(adjective) vies, vuil, stinkend;

(noun) overtreding, fout;

(verb) overtreden, een overtreding begaan

Voorbeeld:

The garbage had a foul odor.
Het afval had een vieze geur.

versus

/ˈvɝː.səs/

(preposition) tegen, versus, in tegenstelling tot

Voorbeeld:

It's the home team versus the visitors tonight.
Het is vanavond de thuisploeg tegen de bezoekers.

triathlon

/traɪˈæθ.lɑːn/

cross-country

/ˌkrɔsˈkʌn.tri/

(adjective) langlauf, veldloop, binnenlands;

(adverb) cross-country, door het land

Voorbeeld:

She is a champion cross-country skier.
Zij is een kampioen langlaufskiër.

gymnast

/ˈdʒɪm.næst/

(noun) turner, turnster

Voorbeeld:

The young gymnast effortlessly performed a backflip.
De jonge turner voerde moeiteloos een achterwaartse salto uit.

heavyweight

/ˈhev.i.weɪt/

(noun) zwaargewicht, invloedrijk persoon;

(adjective) zwaargewicht, invloedrijk

Voorbeeld:

The former heavyweight champion announced his retirement.
De voormalige zwaargewicht kampioen kondigde zijn pensioen aan.

lightweight

/ˈlaɪt.weɪt/

(adjective) lichtgewicht, oppervlakkig, onbeduidend;

(noun) lichtgewicht, onbeduidend persoon

Voorbeeld:

The new laptop is incredibly lightweight, making it perfect for travel.
De nieuwe laptop is ongelooflijk lichtgewicht, waardoor hij perfect is voor op reis.

sprint

/sprɪnt/

(verb) sprinten, spurten;

(noun) sprint, spurt

Voorbeeld:

The athlete decided to sprint the last 100 meters of the race.
De atleet besloot de laatste 100 meter van de race te sprinten.

trophy

/ˈtroʊ.fi/

(noun) trofee, beker, souvenir

Voorbeeld:

The team proudly displayed their championship trophy.
Het team toonde trots hun kampioenschapstrofee.

doping

/ˈdoʊ.pɪŋ/

(noun) doping

Voorbeeld:

The athlete was banned for two years after testing positive for doping.
De atleet werd twee jaar geschorst na een positieve test op doping.

victory

/ˈvɪk.tɚ.i/

(noun) overwinning, zege

Voorbeeld:

The team celebrated their hard-fought victory.
Het team vierde hun zwaarbevochten overwinning.

marathon

/ˈmer.ə.θɑːn/

(noun) marathon, uitputtende taak, langdurig evenement

Voorbeeld:

She trained for months to run her first marathon.
Ze trainde maandenlang om haar eerste marathon te lopen.

track and field

/ˌtræk ən ˈfiːld/

(noun) atletiek

Voorbeeld:

She excels in track and field, especially in sprinting.
Ze blinkt uit in atletiek, vooral in sprinten.

club

/klʌb/

(noun) club, vereniging, knuppel;

(verb) slaan, knuppelen

Voorbeeld:

She joined a book club to meet new people.
Ze sloot zich aan bij een boekenclub om nieuwe mensen te ontmoeten.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland