Avatar of Vocabulary Set Toeristische Diensten

Vocabulaireverzameling Toeristische Diensten in Toerismebranche: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Toeristische Diensten' in 'Toerismebranche' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

tourism

/ˈtʊr.ɪ.zəm/

(noun) toerisme

Voorbeeld:

The city's economy relies heavily on tourism.
De economie van de stad is sterk afhankelijk van toerisme.

travel

/ˈtræv.əl/

(verb) reizen, verplaatsen, zich voortbewegen;

(noun) reis, reizen

Voorbeeld:

I love to travel to new countries.
Ik hou ervan om naar nieuwe landen te reizen.

tourist

/ˈtʊr.ɪst/

(noun) toerist, reiziger

Voorbeeld:

Many tourists visit Paris every year.
Veel toeristen bezoeken Parijs elk jaar.

destination

/ˌdes.təˈneɪ.ʃən/

(noun) bestemming

Voorbeeld:

Our final destination is Paris.
Onze eindbestemming is Parijs.

itinerary

/aɪˈtɪn.ə.rer.i/

(noun) reisschema, reisplan

Voorbeeld:

Our travel agent prepared a detailed itinerary for our trip to Italy.
Onze reisagent stelde een gedetailleerd reisschema op voor onze reis naar Italië.

guide

/ɡaɪd/

(noun) gids, handleiding;

(verb) leiden, begeleiden, sturen

Voorbeeld:

Our tour guide was very knowledgeable about the city's history.
Onze reisgids was zeer goed geïnformeerd over de geschiedenis van de stad.

tour

/tʊr/

(noun) rondreis, tournee, rondleiding;

(verb) toeren, rondreizen

Voorbeeld:

They went on a grand tour of Europe.
Ze gingen op een grote rondreis door Europa.

package tour

/ˈpæk.ɪdʒ ˌtʊr/

(noun) pakketreis, georganiseerde reis

Voorbeeld:

We booked a package tour to Spain for our summer vacation.
We boekten een pakketreis naar Spanje voor onze zomervakantie.

excursion

/ɪkˈskɝː.ʃən/

(noun) excursie, uitstapje, tochtje

Voorbeeld:

We went on an excursion to the mountains.
We gingen op een excursie naar de bergen.

day trip

/ˈdeɪ trɪp/

(noun) dagtocht, dagje uit

Voorbeeld:

We went on a day trip to the coast.
We maakten een dagtocht naar de kust.

ecotourism

/ˈiː.koʊˌtʊr.ɪ.zəm/

(noun) ecotoerisme

Voorbeeld:

Many travelers are choosing ecotourism to experience nature responsibly.
Veel reizigers kiezen voor ecotoerisme om de natuur op een verantwoorde manier te ervaren.

backpacking

/ˈbækˌpæk.ɪŋ/

(noun) backpacken, rugzakreizen;

(verb) backpacken, rugzakreizen

Voorbeeld:

They went backpacking through Europe for three months.
Ze gingen drie maanden backpacken door Europa.

reservation

/ˌrez.ɚˈveɪ.ʃən/

(noun) reservering, boeking, bedenking

Voorbeeld:

I made a dinner reservation for two at 7 PM.
Ik heb een dinerreservering gemaakt voor twee om 19.00 uur.

book

/bʊk/

(noun) boek, register;

(verb) boeken, reserveren, registreren

Voorbeeld:

I'm reading a fascinating book about ancient history.
Ik lees een fascinerend boek over oude geschiedenis.

ticket

/ˈtɪk.ɪt/

(noun) kaartje, ticket, boete;

(verb) bekeuren, een boete geven

Voorbeeld:

I bought a ticket for the concert.
Ik kocht een kaartje voor het concert.

accommodation

/əˌkɑː.məˈdeɪ.ʃən/

(noun) accommodatie, onderdak, verblijf

Voorbeeld:

The hotel offers comfortable accommodation for guests.
Het hotel biedt comfortabele accommodatie voor gasten.

hotel

/hoʊˈtel/

(noun) hotel

Voorbeeld:

We booked a room at a luxurious hotel for our vacation.
We boekten een kamer in een luxueus hotel voor onze vakantie.

resort

/rɪˈzɔːrt/

(noun) resort, oord, toevlucht;

(verb) toevlucht nemen tot, zijn heil zoeken in

Voorbeeld:

They spent their vacation at a luxurious beach resort.
Ze brachten hun vakantie door in een luxueus strandresort.

hostel

/ˈhɑː.stəl/

(noun) hostel, herberg

Voorbeeld:

We stayed at a youth hostel during our backpacking trip through Europe.
We verbleven in een jeugdherberg tijdens onze backpackreis door Europa.

homestay

/ˈhoʊm.steɪ/

(noun) gastgezin, homestay

Voorbeeld:

During her study abroad program, she opted for a homestay with a local family.
Tijdens haar studieprogramma in het buitenland koos ze voor een gastgezin bij een lokale familie.

guesthouse

/ˈɡest.haʊs/

(noun) guesthouse, pension

Voorbeeld:

We stayed at a charming guesthouse near the beach.
We verbleven in een charmant guesthouse vlakbij het strand.

bed and breakfast

/ˌbed ən ˈbrekfəst/

(noun) bed and breakfast, B&B, pension

Voorbeeld:

We stayed at a charming bed and breakfast in the countryside.
We verbleven in een charmante bed and breakfast op het platteland.

travel agency

/ˈtræv.əl ˌeɪ.dʒən.si/

(noun) reisbureau

Voorbeeld:

I booked my flight through a travel agency.
Ik heb mijn vlucht geboekt via een reisbureau.

tour operator

/ˈtʊr ˌɑː.pə.reɪ.t̬ər/

(noun) touroperator, reisorganisator

Voorbeeld:

We booked our trip through a reputable tour operator.
We boekten onze reis via een gerenommeerde touroperator.

visa

/ˈviː.zə/

(noun) visum;

(verb) viseren, een visum verlenen;

(trademark) Visa, Visa-kaart

Voorbeeld:

I need to apply for a visa to travel to that country.
Ik moet een visum aanvragen om naar dat land te reizen.

passport

/ˈpæs.pɔːrt/

(noun) paspoort, toegang, middel

Voorbeeld:

Don't forget your passport when you travel internationally.
Vergeet je paspoort niet als je internationaal reist.

customs

/ˈkʌs·təmz/

(noun) douane, gewoonte, gebruik

Voorbeeld:

We had to declare the goods at customs.
We moesten de goederen aangeven bij de douane.

immigration

/ˌɪm.əˈɡreɪ.ʃən/

(noun) immigratie, inwijking, douane

Voorbeeld:

The country has a strict immigration policy.
Het land heeft een streng immigratiebeleid.

currency exchange

/ˈkɜːr.ən.si ɪksˈtʃeɪndʒ/

(noun) geldwissel, valutawissel

Voorbeeld:

I need to find a good place for currency exchange before my trip.
Ik moet een goede plek vinden voor geldwissel voor mijn reis.

travel insurance

/ˈtræv.əl ɪnˌʃʊr.əns/

(noun) reisverzekering

Voorbeeld:

Always buy travel insurance before you go on an international trip.
Koop altijd een reisverzekering voordat je op een internationale reis gaat.

guidebook

/ˈɡaɪd.bʊk/

(noun) reisgids, gids

Voorbeeld:

We bought a guidebook before our trip to Paris.
We kochten een reisgids voor onze reis naar Parijs.

map

/mæp/

(noun) kaart;

(verb) karteren, in kaart brengen

Voorbeeld:

We used a map to find our way through the city.
We gebruikten een kaart om onze weg door de stad te vinden.

brochure

/broʊˈʃʊr/

(noun) brochure, folder

Voorbeeld:

I picked up a travel brochure at the agency.
Ik pakte een reisbrochure bij het bureau.

souvenir

/ˌsuː.vəˈnɪr/

(noun) souvenir, aandenken

Voorbeeld:

I bought a small statue as a souvenir of my trip to Paris.
Ik kocht een klein beeldje als souvenir van mijn reis naar Parijs.

postcard

/ˈpoʊst.kɑːrd/

(noun) ansichtkaart, postkaart

Voorbeeld:

I sent my family a postcard from Paris.
Ik stuurde mijn familie een ansichtkaart vanuit Parijs.

camera

/ˈkæm.rə/

(noun) camera, fototoestel

Voorbeeld:

She bought a new digital camera for her trip.
Ze kocht een nieuwe digitale camera voor haar reis.

backpack

/ˈbæk.pæk/

(noun) rugzak;

(verb) backpacken, met een rugzak reizen

Voorbeeld:

He packed his clothes into his backpack for the trip.
Hij pakte zijn kleren in zijn rugzak voor de reis.

suitcase

/ˈsuːt.keɪs/

(noun) koffer, reiskoffer

Voorbeeld:

She packed her clothes neatly into her suitcase.
Ze pakte haar kleren netjes in haar koffer.

luggage

/ˈlʌɡ.ɪdʒ/

(noun) bagage

Voorbeeld:

Please place your luggage in the overhead compartment.
Plaats uw bagage alstublieft in het bagagevak boven uw hoofd.

airport

/ˈer.pɔːrt/

(noun) luchthaven, vliegveld

Voorbeeld:

We arrived at the airport two hours before our flight.
We kwamen twee uur voor onze vlucht aan op de luchthaven.

train station

/ˈtreɪn ˌsteɪ.ʃən/

(noun) treinstation, station

Voorbeeld:

We met at the train station before our trip.
We ontmoetten elkaar op het treinstation voor onze reis.

bus station

/ˈbʌs ˌsteɪ.ʃən/

(noun) busstation

Voorbeeld:

I'll meet you at the bus station at 3 PM.
Ik ontmoet je om 15.00 uur bij het busstation.

tourist attraction

/ˈtʊr.ɪst əˈtræk.ʃən/

(noun) toeristische attractie, bezienswaardigheid

Voorbeeld:

The Eiffel Tower is a famous tourist attraction in Paris.
De Eiffeltoren is een beroemde toeristische attractie in Parijs.

landmark

/ˈlænd.mɑːrk/

(noun) oriëntatiepunt, herkenningspunt, mijlpaal;

(adjective) baanbrekend, historisch

Voorbeeld:

The Eiffel Tower is a famous landmark in Paris.
De Eiffeltoren is een beroemd oriëntatiepunt in Parijs.

museum

/mjuːˈziː.əm/

(noun) museum

Voorbeeld:

We spent the afternoon at the art museum.
We brachten de middag door in het kunstmuseum.

gallery

/ˈɡæl.ɚ.i/

(noun) galerie, kunstgalerie, galerij

Voorbeeld:

The new art gallery features local artists.
De nieuwe kunstgalerie toont lokale kunstenaars.

temple

/ˈtem.pəl/

(noun) tempel, slaap

Voorbeeld:

The ancient temple was dedicated to the sun god.
De oude tempel was gewijd aan de zonnegod.

church

/tʃɝːtʃ/

(noun) kerk, Kerk, christendom

Voorbeeld:

They go to church every Sunday.
Ze gaan elke zondag naar de kerk.

mosque

/mɑːsk/

(noun) moskee

Voorbeeld:

The call to prayer echoed from the nearby mosque.
De oproep tot gebed galmde vanuit de nabijgelegen moskee.

beach

/biːtʃ/

(noun) strand;

(verb) aan land brengen, stranden

Voorbeeld:

We spent the day relaxing on the beach.
We brachten de dag ontspannend door op het strand.

mountain

/ˈmaʊn.tən/

(noun) berg, hoop

Voorbeeld:

Mount Everest is the highest mountain in the world.
Mount Everest is de hoogste berg ter wereld.

lake

/leɪk/

(noun) meer

Voorbeeld:

We went fishing in the lake.
We gingen vissen in het meer.

waterfall

/ˈwɑː.t̬ɚ.fɑːl/

(noun) waterval

Voorbeeld:

The majestic waterfall cascaded down the cliff.
De majestueuze waterval stortte van de klif.

national park

/ˌnæʃ.ən.əl ˈpɑːrk/

(noun) nationaal park

Voorbeeld:

Yellowstone is the first national park in the world.
Yellowstone is het eerste nationale park ter wereld.

zoo

/zuː/

(noun) dierentuin, zoo

Voorbeeld:

We spent the whole day at the zoo, watching the lions and elephants.
We brachten de hele dag door in de dierentuin, kijkend naar de leeuwen en olifanten.

botanical garden

/bəˈtæn.ɪ.kəl ˈɡɑːr.dən/

(noun) botanische tuin

Voorbeeld:

We spent the afternoon exploring the beautiful botanical garden.
We brachten de middag door met het verkennen van de prachtige botanische tuin.

shopping

/ˈʃɑː.pɪŋ/

(noun) winkelen, boodschappen doen;

(verb) winkelen, boodschappen doen

Voorbeeld:

I love going shopping for new clothes.
Ik ga graag winkelen voor nieuwe kleren.

market

/ˈmɑːr.kɪt/

(noun) markt;

(verb) op de markt brengen, vermarkten

Voorbeeld:

I bought fresh vegetables at the local market.
Ik kocht verse groenten op de lokale markt.

street food

/striːt fuːd/

(noun) straatvoedsel, streetfood

Voorbeeld:

We tried some delicious street food from a vendor in Bangkok.
We probeerden heerlijk straatvoedsel van een verkoper in Bangkok.

restaurant

/ˈres.tə.rɑːnt/

(noun) restaurant

Voorbeeld:

Let's go to that new Italian restaurant tonight.
Laten we vanavond naar dat nieuwe Italiaanse restaurant gaan.

cafe

/kæfˈeɪ/

(noun) café, koffiehuis

Voorbeeld:

Let's meet at the cafe for coffee.
Laten we afspreken bij het café voor koffie.

bar

/bɑːr/

(noun) staaf, balk, spijl;

(verb) versperren, verbieden, uitsluiten

Voorbeeld:

He lifted the heavy iron bar.
Hij tilde de zware ijzeren staaf op.

nightlife

/ˈnaɪt.laɪf/

(noun) nachtleven

Voorbeeld:

London is famous for its vibrant nightlife.
Londen staat bekend om zijn bruisende nachtleven.

entertainment

/en.t̬ɚˈteɪn.mənt/

(noun) vermaak, amusement

Voorbeeld:

The concert provided great entertainment for everyone.
Het concert bood geweldig vermaak voor iedereen.

festival

/ˈfes.tə.vəl/

(noun) festival, feest

Voorbeeld:

The town celebrates a summer festival every year.
De stad viert elk jaar een zomerfestival.

carnival

/ˈkɑːr.nə.vəl/

(noun) carnaval, kermis, lunapark

Voorbeeld:

The city comes alive during Carnival season.
De stad komt tot leven tijdens het carnavalsseizoen.

performance

/pɚˈfɔːr.məns/

(noun) prestatie, uitvoering, voorstelling

Voorbeeld:

The performance of the new engine is impressive.
De prestaties van de nieuwe motor zijn indrukwekkend.

theme park

/ˈθiːm pɑːrk/

(noun) themapark, pretpark

Voorbeeld:

We spent the whole day at the theme park, enjoying all the rides.
We brachten de hele dag door in het themapark, genietend van alle attracties.

amusement park

/əˈmjuːzmənt pɑːrk/

(noun) pretpark, attractiepark

Voorbeeld:

We spent the whole day at the amusement park, riding roller coasters and playing games.
We brachten de hele dag door in het pretpark, rijdend in achtbanen en spelletjes spelend.

water park

/ˈwɑː.t̬ɚ ˌpɑːrk/

(noun) waterpark

Voorbeeld:

We spent the whole day at the water park, enjoying the slides and wave pool.
We brachten de hele dag door in het waterpark, genietend van de glijbanen en het golfslagbad.

spa

/spɑː/

(noun) spa, kuuroord, badplaats

Voorbeeld:

We spent the weekend at a luxurious health spa.
We brachten het weekend door in een luxe gezondheidsspa.

hiking

/ˈhaɪ.kɪŋ/

(noun) wandelen, trekking;

(verb) wandelend, trekkend

Voorbeeld:

We went hiking in the mountains last weekend.
We zijn vorig weekend gaan wandelen in de bergen.

camping

/ˈkæm.pɪŋ/

(noun) kamperen, camping

Voorbeeld:

We went camping in the mountains last summer.
We gingen afgelopen zomer kamperen in de bergen.

scuba diving

/ˈskuː.bə ˌdaɪ.vɪŋ/

(noun) duiken, scubaduiken

Voorbeeld:

We went scuba diving in the Caribbean.
We gingen duiken in het Caribisch gebied.

snorkeling

/ˈsnɔːr.kəl.ɪŋ/

(noun) snorkelen;

(verb) snorkelen

Voorbeeld:

We went snorkeling in the clear blue waters of the Caribbean.
We gingen snorkelen in het helderblauwe water van het Caribisch gebied.

surfing

/ˈsɝːfɪŋ/

(noun) surfen, golfsurfen, zappen;

(verb) surfend, zappend

Voorbeeld:

He loves surfing every weekend at the beach.
Hij houdt ervan om elk weekend op het strand te surfen.

rafting

/ˈræf.tɪŋ/

(noun) raften

Voorbeeld:

We went rafting on the Colorado River.
We gingen raften op de Colorado River.

safari

/səˈfɑːr.i/

(noun) safari, expeditie, reis;

(verb) safariën, op safari gaan

Voorbeeld:

They went on a thrilling safari in the Serengeti.
Ze gingen op een spannende safari in de Serengeti.

wildlife

/ˈwaɪld.laɪf/

(noun) wilde dieren, fauna

Voorbeeld:

The national park is home to diverse wildlife.
Het nationale park is de thuisbasis van diverse wilde dieren.

trekking

/ˈtrek.ɪŋ/

(noun) trekking, wandeltocht;

(verb) trekken, wandelen

Voorbeeld:

They went trekking in the Himalayas for three weeks.
Ze gingen drie weken trekken in de Himalaya.

photography

/fəˈtɑː.ɡrə.fi/

(noun) fotografie

Voorbeeld:

She is studying photography at art school.
Ze studeert fotografie aan de kunstacademie.

adventure

/ədˈven.tʃɚ/

(noun) avontuur, spanning;

(verb) avonturieren, wagen

Voorbeeld:

They went on a thrilling adventure in the Amazon rainforest.
Ze gingen op een spannende avontuur in het Amazoneregenwoud.

customer service

/ˈkʌs.tə.mər ˌsɜːr.vɪs/

(noun) klantenservice, klantenondersteuning

Voorbeeld:

Good customer service is essential for retaining clients.
Goede klantenservice is essentieel voor het behouden van klanten.

assistance

/əˈsɪs.təns/

(noun) hulp, bijstand

Voorbeeld:

Can I offer you any assistance?
Kan ik u enige hulp aanbieden?

information desk

/ˈɪn.fərˌmeɪ.ʃən ˌdesk/

(noun) informatiebalie, infobalie

Voorbeeld:

Please go to the information desk for assistance.
Ga alstublieft naar de informatiebalie voor hulp.

inquiry

/ˈɪŋ.kwɚ.i/

(noun) aanvraag, vraag, onderzoek

Voorbeeld:

I made an inquiry about the job vacancy.
Ik deed een aanvraag over de vacature.

lost and found

/lɔst ən ˈfaʊnd/

(noun) gevonden voorwerpen, afdeling gevonden voorwerpen

Voorbeeld:

I left my umbrella on the bus, so I'll check the lost and found at the station.
Ik liet mijn paraplu in de bus liggen, dus ik ga de gevonden voorwerpen op het station controleren.

complaint

/kəmˈpleɪnt/

(noun) klacht, bezwaar, reden tot klagen

Voorbeeld:

We received a complaint about the noise.
We ontvingen een klacht over het lawaai.

feedback

/ˈfiːd.bæk/

(noun) feedback, terugkoppeling

Voorbeeld:

We welcome your feedback on our new service.
Wij verwelkomen uw feedback over onze nieuwe dienst.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland