Vocabulaireverzameling Eenheid 8: Toerisme in Graad 9: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 8: Toerisme' in 'Graad 9' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) betaalbaar, voordelig
Voorbeeld:
(noun) lucht, sfeer, uitstraling;
(verb) uiten, uitzenden, ventileren
Voorbeeld:
(noun) archeologie
Voorbeeld:
(noun) instapkaart, boardingpass
Voorbeeld:
(adjective) adembenemend, indrukwekkend
Voorbeeld:
(phrasal verb) inchecken, aanmelden, contact opnemen
Voorbeeld:
(phrasal verb) controleren, nakijken, uitchecken
Voorbeeld:
(noun) keuze, beste keuze, topkwaliteit;
(adjective) uitstekend, top
Voorbeeld:
(adjective) kolossaal, enorm, gigantisch
Voorbeeld:
(noun) verwarring, verwarrendheid, verwisseling
Voorbeeld:
(noun) continent;
(adjective) continent, zelfbeheerst
Voorbeeld:
(noun) cruise, zeereis;
(verb) cruisen, rijden met constante snelheid, rondrijden
Voorbeeld:
(noun) fietsen, wielrennen;
(adjective) cyclisch, rondgaand
Voorbeeld:
(verb) vertragen, uitstellen, aarzelen;
(noun) vertraging, uitstel
Voorbeeld:
(noun) vertrek, afreis, afwijking
Voorbeeld:
(noun) excursie, uitstapje, tochtje
Voorbeeld:
(adjective) exotisch, vreemd, bijzonder
Voorbeeld:
(noun) expeditie, onderzoekstocht, spoed
Voorbeeld:
(verb) verkennen, ontdekken, onderzoeken
Voorbeeld:
(noun) tarief, prijs, kost;
(verb) presteren, gaan
Voorbeeld:
(noun) stewardess, steward
Voorbeeld:
(noun) handbagage
Voorbeeld:
(noun) koppelteken;
(verb) koppelen
Voorbeeld:
(adjective) keizerlijk, imperiaal, imperiaal (maatsysteem)
Voorbeeld:
(adjective) ontoegankelijk, onbereikbaar, onbegrijpelijk
Voorbeeld:
(noun) reisschema, reisplan
Voorbeeld:
(noun) laagseizoen, dal seizoen
Voorbeeld:
(noun) bagage
Voorbeeld:
(adjective) weelderig, overvloedig, luxueus;
(noun) drankorgel, alcoholist
Voorbeeld:
(noun) pracht, grootsheid, magnificentie
Voorbeeld:
(adjective) smal, beperkt, eng;
(verb) versmallen, beperken
Voorbeeld:
(noun) orchidee
Voorbeeld:
(noun) pakket, pakje, voorstel;
(verb) verpakken, inpakken
Voorbeeld:
(noun) pakketreis, georganiseerde reis
Voorbeeld:
(verb) verwennen, vertroetelen
Voorbeeld:
(noun) kettingbotsing, massaal ongeval, opeenstapeling
Voorbeeld:
(verb) bevorderen, promoten, promoveren
Voorbeeld:
(noun) piramide
Voorbeeld:
(noun) retour, heen- en terugreis;
(adjective) retour, heen en terug
Voorbeeld:
(noun) safari, expeditie, reis;
(verb) safariën, op safari gaan
Voorbeeld:
(noun) sightseeing, bezienswaardigheden bekijken
Voorbeeld:
(noun) slaapzak
Voorbeeld:
(noun) specialiteit, vakgebied, streekproduct
Voorbeeld:
(noun) stalagmiet
Voorbeeld:
(adjective) stimulerend, prikkelend
Voorbeeld:
(noun) tussenstop, overstap
Voorbeeld:
(verb) strekken, uitrekken, rekken;
(noun) rek, strekking, stuk
Voorbeeld:
(noun) zonnebrand, bruine kleur;
(verb) zonnebaden, bruinen
Voorbeeld:
(noun) bruin, beige, bruine kleur;
(verb) bruinen, zonnen, looien;
(adjective) bruin, beige
Voorbeeld:
(noun) grondgebied, gebied, territorium
Voorbeeld:
(noun) touchdown, landing
Voorbeeld:
(noun) toerisme
Voorbeeld:
(noun) toerist, reiziger
Voorbeeld:
(adjective) gevarieerd, divers, wisselvallig
Voorbeeld:
(noun) zeereis, ruimtereis, reis;
(verb) reizen, varen, een reis maken
Voorbeeld: