Vocabulaireverzameling Eenheid 3: Tienerstress en -druk in Graad 9: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 3: Tienerstress en -druk' in 'Graad 9' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) adolescentie, puberteit
Voorbeeld:
(noun) volwassenheid
Voorbeeld:
(adjective) verbaasd, verbluft
Voorbeeld:
(noun) boek, register;
(verb) boeken, reserveren, registreren
Voorbeeld:
(noun) pech, storing, inzinking
Voorbeeld:
(adjective) kalm, rustig, windstil;
(verb) kalmeren, tot rust brengen;
(noun) kalmte, rust
Voorbeeld:
(adjective) cognitief
Voorbeeld:
(verb) concentreren, zich richten op, indikken;
(noun) concentraat, geconcentreerd product
Voorbeeld:
(adjective) zelfverzekerd, zeker, overtuigd
Voorbeeld:
(noun) counseling, begeleiding, advies
Voorbeeld:
(adjective) verrukt, verheugd
Voorbeeld:
(adjective) depressief, neerslachtig, gedeprimeerd
Voorbeeld:
(verb) teleurstellen
Voorbeeld:
(noun) twijfel, onzekerheid;
(verb) twijfelen, betwijfelen
Voorbeeld:
(adjective) beschaamd, verlegen
Voorbeeld:
(noun) noodgeval, spoedgeval;
(adjective) nood, spoed
Voorbeeld:
(adjective) emotioneel, gevoelig
Voorbeeld:
(noun) verwachting
Voorbeeld:
(adjective) gefrustreerd, teleurgesteld
Voorbeeld:
(noun) kwaliteit, graad, niveau;
(verb) sorteren, indelen, beoordelen
Voorbeeld:
(noun) begeleiding, richtlijn, advies
Voorbeeld:
(noun) hulplijn, telefoonlijn
Voorbeeld:
(noun) onafhankelijkheid, zelfstandigheid
Voorbeeld:
(noun) levensvaardigheid
Voorbeeld:
(adjective) vies, walgelijk, slecht
Voorbeeld:
(adjective) ontspannen, relaxed, soepel
Voorbeeld:
(noun) risicobereidheid, risico nemen;
(adjective) risicovol, risicobereid
Voorbeeld:
(noun) zelfbeheersing, zelfcontrole
Voorbeeld:
(adjective) zelfgedisciplineerd
Voorbeeld:
(adjective) gestrest, gespannen;
(past participle) benadrukt, geaccentueerd
Voorbeeld:
(verb) lijden, ondergaan, lijden aan
Voorbeeld:
(adjective) gespannen, strak, nerveus;
(noun) tijd, werkwoordstijd;
(verb) spannen, verstrakken
Voorbeeld:
(adjective) gratis, kosteloos
Voorbeeld:
(noun) handel, smokkel
Voorbeeld:
(verb) van streek maken, ontroeren, omstoten;
(adjective) van streek, boos, overstuur;
(noun) verrassing, omwenteling
Voorbeeld:
(adjective) bezorgd, ongerust
Voorbeeld:
(phrasal verb) afwijzen, weigeren, zachter zetten
Voorbeeld:
(phrasal verb) te boven komen, overwinnen, overbrengen
Voorbeeld:
(phrasal verb) verdragen, tolereren
Voorbeeld: