Vocabulaireverzameling Eenheid 1: Lokale Omgeving in Graad 9: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 1: Lokale Omgeving' in 'Graad 9' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) artefact, voorwerp, verstoring
Voorbeeld:
(noun) ambachtsman, handwerker
Voorbeeld:
(noun) aantrekkingskracht, attractie, aantrekkingspunt
Voorbeeld:
(noun) authenticiteit, echtheid
Voorbeeld:
(noun) geboorteplaats, bakermat, oorsprong
Voorbeeld:
(noun) armband
Voorbeeld:
(verb) snijden, houwen, trancheren
Voorbeeld:
(verb) werpen, gooien, uitbrengen;
(noun) cast, rolbezetting, gietstuk
Voorbeeld:
(noun) houtskool;
(adjective) houtskoolkleurig, antraciet
Voorbeeld:
(noun) ambacht, handwerk, vaartuig;
(verb) maken, vervaardigen
Voorbeeld:
(noun) vakman, ambachtsman
Voorbeeld:
(noun) trommelvel
Voorbeeld:
(noun) lijst, kozijn, frame;
(verb) lijsten, inlijsten, formuleren
Voorbeeld:
(noun) overgrootouder
Voorbeeld:
(noun) handwerk, ambacht
Voorbeeld:
(adjective) historisch, uit het verleden
Voorbeeld:
(verb) breien, genezen, samengroeien;
(noun) breiwerk, gebreide stof
Voorbeeld:
(noun) lakwerk
Voorbeeld:
(noun) laag;
(verb) in lagen leggen, stapelen
Voorbeeld:
(verb) opdoemen, dreigen;
(noun) weefgetouw
Voorbeeld:
(noun) etnische minderheid
Voorbeeld:
(noun) mal, vorm, schimmel;
(verb) vormen, modelleren, schimmelen
Voorbeeld:
(adjective) talloos, talrijk
Voorbeeld:
(noun) aardewerk, keramiek, pottenbakken
Voorbeeld:
(verb) behouden, bewaren, conserveren;
(noun) jam, confituur, conserven
Voorbeeld:
(noun) beeldhouwkunst, sculptuur, beeldhouwwerk;
(verb) beeldhouwen, sculpteren
Voorbeeld:
(adjective) bekwaam, vaardig
Voorbeeld:
(noun) souvenir, aandenken
Voorbeeld:
(noun) podium, toneel, fase;
(verb) opvoeren, organiseren
Voorbeeld:
(noun) oppervlak, buitenkant, uiterlijk;
(verb) boven water komen, opduiken, asfalteren
Voorbeeld:
(noun) teambuilding
Voorbeeld:
(noun) draad, discussie;
(verb) rijgen, inrijgen
Voorbeeld:
(verb) behandelen, verwerken, traktatie geven;
(noun) traktatie, verwennerij, rondje
Voorbeeld:
(noun) touwtrekken, strijd
Voorbeeld:
(adjective) veelzijdig, flexibel
Voorbeeld:
(verb) weven, samenvoegen, verbinden;
(noun) weefsel, weefpatroon
Voorbeeld:
(noun) wilg
Voorbeeld:
(noun) werkplaats, atelier, workshop;
(verb) uitwerken in een workshop, bespreken in een workshop
Voorbeeld:
(phrasal verb) sluiten, opheffen
Voorbeeld:
(phrasal verb) aanpakken, omgaan met, zaken doen met
Voorbeeld:
(phrasal verb) onder ogen zien, aanvaarden
Voorbeeld:
(phrasal verb) doorgaan met, verdergaan met, goed opschieten met
Voorbeeld:
(phrasal verb) voortleven, overleven, leven van
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitkijken naar, verheugen op
Voorbeeld:
(phrasal verb) doorgeven, overdragen
Voorbeeld:
(phrasal verb) vertrekken, op weg gaan, veroorzaken
Voorbeeld:
(phrasal verb) opzetten, instellen, oprichten
Voorbeeld:
(phrasal verb) overnemen, de controle overnemen, overheersen
Voorbeeld:
(phrasal verb) afwijzen, weigeren, zachter zetten
Voorbeeld:
(phrasal verb) opdagen, verschijnen, harder zetten
Voorbeeld: