Vocabulaireverzameling B2 - Letter B in Oxford 3000 - B2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B2 - Letter B' in 'Oxford 3000 - B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) rug, achterkant;
(adverb) terug, achteruit, vroeger;
(adjective) achterste;
(verb) achteruitgaan, steunen, ondersteunen
Voorbeeld:
(plural noun) bacteriën;
(noun) bacterie (enkelvoud)
Voorbeeld:
(noun) staaf, balk, spijl;
(verb) versperren, verbieden, uitsluiten
Voorbeeld:
(noun) barrière, afscheiding, belemmering
Voorbeeld:
(adverb) in principe, fundamenteel, kortom
Voorbeeld:
(noun) slag, gevecht, strijd;
(verb) vechten, strijden
Voorbeeld:
(noun) beer;
(verb) dragen, verdragen, baren
Voorbeeld:
(verb) slaan, afranselen, verslaan;
(noun) beat, ritme, slag;
(adjective) uitgeput, moe
Voorbeeld:
(verb) smeken, bedelen
Voorbeeld:
(noun) bestaan, wezen, mens;
(verb) zijnde, worden
Voorbeeld:
(adjective) gebogen, krom, vastbesloten;
(noun) aanleg, neiging;
(past tense) boog, gebogen
Voorbeeld:
(noun) weddenschap;
(verb) wedden, zeker zijn, vertrouwen hebben
Voorbeeld:
(preposition) voorbij, achter, na;
(adverb) voorbij, verder;
(noun) het hiernamaals, de andere wereld
Voorbeeld:
(noun) rekening, factuur, wetsvoorstel;
(verb) factureren, rekening sturen, aankondigen
Voorbeeld:
(adjective) bitter, verbitterd, moeilijk
Voorbeeld:
(noun) schuld, verantwoordelijkheid;
(verb) de schuld geven, verwijten
Voorbeeld:
(adjective) blind, onwetend;
(verb) verblinden, blind maken, misleiden;
(noun) jaloezie, blind
Voorbeeld:
(noun) band, verbinding, obligatie;
(verb) binden, hechten, een band opbouwen
Voorbeeld:
(noun) grens, rand, boord;
(verb) begrenzen, omzomen
Voorbeeld:
(noun) borst, boezem;
(verb) trotseren, doorbreken
Voorbeeld:
(adjective) kort, bondig, beknopt;
(noun) briefing, instructie, slip;
(verb) briefen, informeren
Voorbeeld:
(adjective) breed, uitgebreid;
(noun) vrouw
Voorbeeld:
(verb) uitzenden, uitstralen, verkondigen;
(noun) uitzending, programma
Voorbeeld:
(noun) begroting, budget, beschikbaar bedrag;
(verb) begroten, budgetteren;
(adjective) budget, goedkoop
Voorbeeld:
(noun) kogel, projectiel, opsommingsteken;
(verb) schieten, razen
Voorbeeld:
(noun) bos, tros, boel;
(verb) plooien, ballen, samentrekken
Voorbeeld:
(verb) branden, verbranden, verbruiken;
(noun) brandwond, verbranding
Voorbeeld:
(noun) struik, bosje
Voorbeeld:
(conjunction) maar, dan, behalve;
(preposition) behalve, dan;
(adverb) slechts, alleen;
(noun) mits, maar
Voorbeeld: