Avatar of Vocabulary Set A2 - Letter L

Vocabulaireverzameling A2 - Letter L in Oxford 3000 - A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Letter L' in 'Oxford 3000 - A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

lab

/læb/

(noun) lab, laboratorium, labrador

Voorbeeld:

The students conducted experiments in the science lab.
De studenten voerden experimenten uit in het wetenschapslab.

lady

/ˈleɪ.di/

(noun) dame, vrouw, mevrouw

Voorbeeld:

The young lady offered her seat to the elderly man.
De jonge dame bood haar zitplaats aan de oudere man aan.

lake

/leɪk/

(noun) meer

Voorbeeld:

We went fishing in the lake.
We gingen vissen in het meer.

lamp

/læmp/

(noun) lamp;

(verb) slaan, rammen

Voorbeeld:

She turned on the lamp to read her book.
Ze deed de lamp aan om haar boek te lezen.

land

/lænd/

(noun) land, grond, perceel;

(verb) landen, neerlaten, bemachtigen

Voorbeeld:

The ship finally reached land after a long journey.
Het schip bereikte eindelijk land na een lange reis.

laptop

/ˈlæp.tɑːp/

(noun) laptop, draagbare computer

Voorbeeld:

I bought a new laptop for work.
Ik heb een nieuwe laptop gekocht voor mijn werk.

last

/læst/

(adjective) laatste, meest recente;

(adverb) laatst, voor het laatst;

(verb) duren, meegaan, blijven bestaan

Voorbeeld:

This is your last chance.
Dit is je laatste kans.

later

/ˈleɪ.t̬ɚ/

(adverb) later, daarna;

(adjective) later, volgend

Voorbeeld:

I'll call you later.
Ik bel je later.

laughter

/ˈlæf.tɚ/

(noun) gelach, lach

Voorbeeld:

Her eyes sparkled with laughter.
Haar ogen schitterden van het lachen.

law

/lɑː/

(noun) wet, recht, principe

Voorbeeld:

Ignorance of the law is no excuse.
Onwetendheid van de wet is geen excuus.

lawyer

/ˈlɔɪ.jɚ/

(noun) advocaat, jurist

Voorbeeld:

She decided to become a lawyer after graduating from law school.
Ze besloot advocaat te worden na haar afstuderen aan de rechtenfaculteit.

lazy

/ˈleɪ.zi/

(adjective) lui, traag, rustig

Voorbeeld:

He's too lazy to clean his room.
Hij is te lui om zijn kamer schoon te maken.

lead

/liːd/

(noun) leiding, voorbeeld, voorsprong;

(verb) leiden, gidsen, aanvoeren

Voorbeeld:

She took the lead in organizing the event.
Zij nam de leiding bij het organiseren van het evenement.

leader

/ˈliː.dɚ/

(noun) leider, aanvoerder, koploper

Voorbeeld:

The team's leader motivated everyone to work harder.
De leider van het team motiveerde iedereen om harder te werken.

learning

/ˈlɝː.nɪŋ/

(noun) leren, studie, kennis;

(verb) leren, aanleren

Voorbeeld:

Learning a new language can be challenging but rewarding.
Het leren van een nieuwe taal kan uitdagend maar lonend zijn.

least

/liːst/

(determiner) minst;

(pronoun) minst;

(adverb) minst

Voorbeeld:

He showed the least interest in the proposal.
Hij toonde de minste interesse in het voorstel.

lecture

/ˈlek.tʃɚ/

(noun) lezing, college, preek;

(verb) lesgeven, doceren, de les lezen

Voorbeeld:

The professor gave a fascinating lecture on ancient history.
De professor gaf een fascinerende lezing over oude geschiedenis.

lemon

/ˈlem.ən/

(noun) citroen, mislukking, waardeloos product;

(adjective) citroengeel

Voorbeeld:

She squeezed a lemon into her tea.
Ze kneep een citroen in haar thee.

lend

/lend/

(verb) lenen, uitlenen, geven

Voorbeeld:

Can you lend me your pen for a moment?
Kun je me je pen even lenen?

less

/les/

(determiner) minder;

(adverb) minder

Voorbeeld:

I have less money than you.
Ik heb minder geld dan jij.

level

/ˈlev.əl/

(noun) niveau, peil, vlak;

(adjective) vlak, waterpas;

(verb) egaliseren, vlak maken

Voorbeeld:

The water level in the reservoir is low.
Het waterpeil in het stuwmeer is laag.

lifestyle

/ˈlaɪf.staɪl/

(noun) levensstijl

Voorbeeld:

They adopted a healthy lifestyle after moving to the countryside.
Ze namen een gezonde levensstijl aan na hun verhuizing naar het platteland.

lift

/lɪft/

(verb) optillen, opheffen, intrekken;

(noun) lift, heftoestel, rit

Voorbeeld:

She helped him lift the heavy box.
Ze hielp hem de zware doos optillen.

light

/laɪt/

(noun) licht, lamp, lichtbron;

(verb) aansteken, verlichten;

(adjective) licht

Voorbeeld:

The room was filled with natural light.
De kamer was gevuld met natuurlijk licht.

likely

/ˈlaɪ.kli/

(adjective) waarschijnlijk, aannemelijk, geschikt;

(adverb) waarschijnlijk, vermoedelijk

Voorbeeld:

It's likely to rain tomorrow.
Het is waarschijnlijk dat het morgen gaat regenen.

link

/lɪŋk/

(noun) link, verband, relatie;

(verb) verbinden, koppelen, samenvoegen

Voorbeeld:

There's a strong link between smoking and cancer.
Er is een sterke link tussen roken en kanker.

listener

/ˈlɪs.ən.ɚ/

(noun) luisteraar

Voorbeeld:

The radio show has a large audience of loyal listeners.
De radioshow heeft een groot publiek van trouwe luisteraars.

little

/ˈlɪt̬.əl/

(adjective) klein, weinig, jong;

(determiner) weinig, beetje;

(adverb) een beetje, weinig

Voorbeeld:

She has a little dog.
Ze heeft een klein hondje.

lock

/lɑːk/

(noun) slot, sluis, lok;

(verb) sluiten, vergrendelen, blokkeren

Voorbeeld:

He turned the key in the lock and opened the door.
Hij draaide de sleutel in het slot en opende de deur.

look

/lʊk/

(verb) kijken, zoeken, lijken;

(noun) blik, uitstraling, uiterlijk

Voorbeeld:

She looked at him and smiled.
Ze keek naar hem en glimlachte.

lorry

/ˈlɔːr.i/

(noun) vrachtwagen

Voorbeeld:

The lorry was loaded with timber.
De vrachtwagen was geladen met hout.

lost

/lɑːst/

(adjective) verdwaald, verloren, kwijt;

(past participle) verloren, kwijtgeraakt

Voorbeeld:

We got lost in the forest.
We raakten verdwaald in het bos.

loud

/laʊd/

(adjective) luid, hard, opzichtig;

(adverb) luid, hard

Voorbeeld:

The music was too loud.
De muziek was te hard.

loudly

/ˈlaʊd.li/

(adverb) luid, hard, opzichtig

Voorbeeld:

He shouted loudly to get her attention.
Hij schreeuwde luid om haar aandacht te trekken.

lovely

/ˈlʌv.li/

(adjective) prachtig, mooi, heerlijk

Voorbeeld:

She wore a lovely dress to the party.
Ze droeg een prachtige jurk naar het feest.

low

/loʊ/

(adjective) laag, weinig, neerslachtig;

(adverb) laag;

(noun) laagtepunt, minimum;

(verb) loeien

Voorbeeld:

The fence was too low to keep the dog in.
Het hek was te laag om de hond binnen te houden.

luck

/lʌk/

(noun) geluk, pech;

(verb) geluk hebben, toevallig vinden

Voorbeeld:

I had good luck in the lottery.
Ik had veel geluk in de loterij.

lucky

/ˈlʌk.i/

(adjective) gelukkig, mazzel

Voorbeeld:

I feel so lucky to have such supportive friends.
Ik voel me zo gelukkig dat ik zulke ondersteunende vrienden heb.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland