Avatar of Vocabulary Set A2 - Letter H

Vocabulaireverzameling A2 - Letter H in Oxford 3000 - A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Letter H' in 'Oxford 3000 - A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

habit

/ˈhæb.ɪt/

(noun) gewoonte, gebruik, habijt;

(verb) kleden, aankleden

Voorbeeld:

Smoking is a bad habit.
Roken is een slechte gewoonte.

half

/hæf/

(noun) helft;

(determiner) half;

(adverb) half, gedeeltelijk

Voorbeeld:

She ate half of the apple.
Ze at de helft van de appel.

hall

/hɑːl/

(noun) hal, gang, zaal

Voorbeeld:

She waited for him in the hall.
Ze wachtte op hem in de hal.

happily

/ˈhæp.əl.i/

(adverb) gelukkig, blij, graag

Voorbeeld:

She smiled happily as she opened the gift.
Ze glimlachte gelukkig toen ze het cadeau opende.

have

/hæv/

(verb) hebben, bezitten, ervaren;

(auxiliary verb) hulpwerkwoord

Voorbeeld:

I have a new car.
Ik heb een nieuwe auto.

headache

/ˈhed.eɪk/

(noun) hoofdpijn, probleem, lastpost

Voorbeeld:

I woke up with a terrible headache this morning.
Ik werd vanmorgen wakker met een vreselijke hoofdpijn.

heart

/hɑːrt/

(noun) hart, gemoed, kern;

(verb) bemoedigen, aanmoedigen

Voorbeeld:

The doctor listened to her heart with a stethoscope.
De dokter luisterde met een stethoscoop naar haar hart.

heat

/hiːt/

(noun) hitte, warmte, hartstocht;

(verb) verwarmen, opwarmen

Voorbeeld:

The heat from the sun was intense.
De hitte van de zon was intens.

heavy

/ˈhev.i/

(adjective) zwaar, intens, diep;

(adverb) hevig, zwaar

Voorbeeld:

The box was too heavy for him to lift alone.
De doos was te zwaar voor hem om alleen op te tillen.

height

/haɪt/

(noun) hoogte, lengte, hoogtepunt

Voorbeeld:

What is your height?
Wat is jouw lengte?

helpful

/ˈhelp.fəl/

(adjective) behulpzaam, nuttig

Voorbeeld:

The librarian was very helpful in finding the books I needed.
De bibliothecaris was erg behulpzaam bij het vinden van de boeken die ik nodig had.

hero

/ˈhɪr.oʊ/

(noun) held, hoofdpersoon

Voorbeeld:

He was hailed as a hero for saving the child from the burning building.
Hij werd als een held onthaald omdat hij het kind uit het brandende gebouw had gered.

hers

/hɝːz/

(pronoun) haar

Voorbeeld:

That book is hers.
Dat boek is van haar.

herself

/hɝːˈself/

(pronoun) zichzelf, zelf

Voorbeeld:

She bought herself a new dress.
Ze kocht zichzelf een nieuwe jurk.

hide

/haɪd/

(verb) verbergen, verstoppen, zich verstoppen;

(noun) huid, vel

Voorbeeld:

She tried to hide the present from her children.
Ze probeerde het cadeau voor haar kinderen te verbergen.

high

/haɪ/

(adjective) hoog, maximaal, belangrijk;

(adverb) hoog;

(noun) hoogtepunt, record

Voorbeeld:

The mountain is very high.
De berg is erg hoog.

hill

/hɪl/

(noun) heuvel, helling, stijging;

(verb) ophopen, heuvelen

Voorbeeld:

We climbed the hill to get a better view.
We beklommen de heuvel om een beter uitzicht te krijgen.

himself

/hɪmˈself/

(pronoun) zichzelf, zelf

Voorbeeld:

He bought himself a new car.
Hij kocht zichzelf een nieuwe auto.

his

/hɪz/

(determiner) zijn;

(pronoun) zijn, van hem

Voorbeeld:

He put his hand in his pocket.
Hij stak zijn hand in zijn zak.

hit

/hɪt/

(verb) slaan, raken, treffen;

(noun) slag, treffer, hit

Voorbeeld:

He accidentally hit his thumb with a hammer.
Hij sloeg per ongeluk zijn duim met een hamer.

hockey

/ˈhɑː.ki/

(noun) ijshockey, hockey, veldhockey

Voorbeeld:

He plays hockey every winter.
Hij speelt elke winter hockey.

hold

/hoʊld/

(verb) vasthouden, dragen, tegenhouden;

(noun) greep, houvast, wacht

Voorbeeld:

Can you hold this for a moment?
Kun je dit even vasthouden?

hole

/hoʊl/

(noun) gat, hol, moeilijke situatie;

(verb) doorboren, gaten maken

Voorbeeld:

There's a small hole in my sock.
Er zit een klein gat in mijn sok.

home

/hoʊm/

(noun) thuis, huis, thuisland;

(adverb) thuis, naar huis;

(adjective) thuis, huiselijk;

(verb) terugkeren, richten

Voorbeeld:

I'm going home for the holidays.
Ik ga naar huis voor de feestdagen.

hope

/hoʊp/

(noun) hoop, verwachting;

(verb) hopen, verwachten

Voorbeeld:

She has high hopes for her future.
Ze heeft hoge verwachtingen voor haar toekomst.

huge

/hjuːdʒ/

(adjective) enorm, gigantisch, belangrijk

Voorbeeld:

The company made a huge profit this quarter.
Het bedrijf maakte dit kwartaal een enorme winst.

human

/ˈhjuː.mən/

(adjective) menselijk, medelevend;

(noun) mens, menselijk wezen

Voorbeeld:

The ability to reason is a unique human trait.
Het vermogen om te redeneren is een unieke menselijke eigenschap.

hurt

/hɝːt/

(verb) bezeren, pijn doen, kwetsen;

(noun) pijn, blessure, verdriet;

(adjective) gewond, bezeerd, gekwetst

Voorbeeld:

Did you hurt your knee when you fell?
Heb je je knie bezeerd toen je viel?
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland