Vocabulaireverzameling A2 - Letter H in Oxford 3000 - A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Letter H' in 'Oxford 3000 - A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) gewoonte, gebruik, habijt;
(verb) kleden, aankleden
Voorbeeld:
(noun) helft;
(determiner) half;
(adverb) half, gedeeltelijk
Voorbeeld:
(noun) hal, gang, zaal
Voorbeeld:
(adverb) gelukkig, blij, graag
Voorbeeld:
(verb) hebben, bezitten, ervaren;
(auxiliary verb) hulpwerkwoord
Voorbeeld:
(noun) hoofdpijn, probleem, lastpost
Voorbeeld:
(noun) hart, gemoed, kern;
(verb) bemoedigen, aanmoedigen
Voorbeeld:
(noun) hitte, warmte, hartstocht;
(verb) verwarmen, opwarmen
Voorbeeld:
(adjective) zwaar, intens, diep;
(adverb) hevig, zwaar
Voorbeeld:
(adjective) behulpzaam, nuttig
Voorbeeld:
(noun) held, hoofdpersoon
Voorbeeld:
(pronoun) zichzelf, zelf
Voorbeeld:
(verb) verbergen, verstoppen, zich verstoppen;
(noun) huid, vel
Voorbeeld:
(adjective) hoog, maximaal, belangrijk;
(adverb) hoog;
(noun) hoogtepunt, record
Voorbeeld:
(noun) heuvel, helling, stijging;
(verb) ophopen, heuvelen
Voorbeeld:
(pronoun) zichzelf, zelf
Voorbeeld:
(determiner) zijn;
(pronoun) zijn, van hem
Voorbeeld:
(verb) slaan, raken, treffen;
(noun) slag, treffer, hit
Voorbeeld:
(noun) ijshockey, hockey, veldhockey
Voorbeeld:
(verb) vasthouden, dragen, tegenhouden;
(noun) greep, houvast, wacht
Voorbeeld:
(noun) gat, hol, moeilijke situatie;
(verb) doorboren, gaten maken
Voorbeeld:
(noun) thuis, huis, thuisland;
(adverb) thuis, naar huis;
(adjective) thuis, huiselijk;
(verb) terugkeren, richten
Voorbeeld:
(noun) hoop, verwachting;
(verb) hopen, verwachten
Voorbeeld:
(adjective) enorm, gigantisch, belangrijk
Voorbeeld:
(adjective) menselijk, medelevend;
(noun) mens, menselijk wezen
Voorbeeld:
(verb) bezeren, pijn doen, kwetsen;
(noun) pijn, blessure, verdriet;
(adjective) gewond, bezeerd, gekwetst
Voorbeeld: