Vocabulaireverzameling Top 126 - 150 Verbs in 500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Top 126 - 150 Verbs' in '500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) passeren, voorbijgaan, slagen;
(noun) voldoende, geslaagd, pas
Voorbeeld:
(verb) reiken, bereiken, aankomen;
(noun) bereik, reikwijdte, toegang
Voorbeeld:
(verb) verschijnen, opduiken, lijken
Voorbeeld:
(verb) produceren, vervaardigen, opleveren;
(noun) producten, landbouwproducten
Voorbeeld:
(verb) bestaan, er zijn, overleven
Voorbeeld:
(verb) beschermen, beveiligen
Voorbeeld:
(verb) optillen, verhogen, vergroten;
(noun) salarisverhoging, loonsverhoging
Voorbeeld:
(noun) druppel, daling, val;
(verb) laten vallen, neerlaten, dalen
Voorbeeld:
(verb) betrekken, omvatten, inhouden
Voorbeeld:
(verb) dienen, bedienen, serveren;
(noun) dienst, diensttijd, service
Voorbeeld:
(verb) aanbieden, offreren, voorstellen;
(noun) aanbod, bod, aanbieding
Voorbeeld:
(verb) tekenen, trekken, aantrekken;
(noun) gelijkspel, trek, aantrekkingskracht
Voorbeeld:
(verb) rollen, draaien, walsen;
(noun) rol, broodje
Voorbeeld:
(verb) vereisen, nodig hebben, verplichten
Voorbeeld:
(noun) zorg, verzorging, zorgvuldigheid;
(verb) zich bekommeren om, geven om, zorgen voor
Voorbeeld:
(verb) vliegen, schieten, voorbijvliegen;
(noun) vlieg, gulp
Voorbeeld:
(verb) kiezen, uitkiezen, plukken;
(noun) keuze, selectie, houweel
Voorbeeld:
(verb) verbinden, aansluiten, verbinding maken
Voorbeeld:
(verb) vangen, grijpen, betrappen;
(noun) vangbal, vangspel, addertje onder het gras
Voorbeeld:
(verb) vrijlaten, loslaten, uitbrengen;
(noun) vrijlating, uitgave
Voorbeeld:
(verb) vallen, dalen, afnemen;
(noun) val, daling, herfst
Voorbeeld:
(verb) ontvangen, krijgen, oplopen
Voorbeeld:
(verb) beschrijven, omschrijven
Voorbeeld:
(verb) schieten, neerschieten, snellen;
(noun) schot, scheut, spruit;
(exclamation) verdorie, zeg op
Voorbeeld:
(noun) antwoord, reactie;
(verb) antwoorden, beantwoorden
Voorbeeld: