Avatar of Vocabulary Set Top 126 - 150 Verbs

Vocabulaireverzameling Top 126 - 150 Verbs in 500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 126 - 150 Verbs' in '500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

pass

/pæs/

(verb) passeren, voorbijgaan, slagen;

(noun) voldoende, geslaagd, pas

Voorbeeld:

A car passed us on the highway.
Een auto passeerde ons op de snelweg.

reach

/riːtʃ/

(verb) reiken, bereiken, aankomen;

(noun) bereik, reikwijdte, toegang

Voorbeeld:

He reached for the book on the top shelf.
Hij reikte naar het boek op de bovenste plank.

appear

/əˈpɪr/

(verb) verschijnen, opduiken, lijken

Voorbeeld:

A ship appeared on the horizon.
Een schip verscheen aan de horizon.

produce

/prəˈduːs/

(verb) produceren, vervaardigen, opleveren;

(noun) producten, landbouwproducten

Voorbeeld:

The factory produces cars.
De fabriek produceert auto's.

exist

/ɪɡˈzɪst/

(verb) bestaan, er zijn, overleven

Voorbeeld:

Does life exist on other planets?
Bestaat er leven op andere planeten?

protect

/prəˈtekt/

(verb) beschermen, beveiligen

Voorbeeld:

The ozone layer protects us from harmful UV rays.
De ozonlaag beschermt ons tegen schadelijke UV-stralen.

raise

/reɪz/

(verb) optillen, verhogen, vergroten;

(noun) salarisverhoging, loonsverhoging

Voorbeeld:

She raised her hand to ask a question.
Ze stak haar hand op om een vraag te stellen.

drop

/drɑːp/

(noun) druppel, daling, val;

(verb) laten vallen, neerlaten, dalen

Voorbeeld:

A drop of rain fell on my nose.
Een druppel regen viel op mijn neus.

involve

/ɪnˈvɑːlv/

(verb) betrekken, omvatten, inhouden

Voorbeeld:

The new project will involve a lot of research.
Het nieuwe project zal veel onderzoek omvatten.

serve

/sɝːv/

(verb) dienen, bedienen, serveren;

(noun) dienst, diensttijd, service

Voorbeeld:

He has served the company for 20 years.
Hij heeft het bedrijf 20 jaar gediend.

offer

/ˈɑː.fɚ/

(verb) aanbieden, offreren, voorstellen;

(noun) aanbod, bod, aanbieding

Voorbeeld:

He offered her a cup of tea.
Hij bood haar een kopje thee aan.

draw

/drɑː/

(verb) tekenen, trekken, aantrekken;

(noun) gelijkspel, trek, aantrekkingskracht

Voorbeeld:

She likes to draw animals.
Ze houdt ervan om dieren te tekenen.

roll

/roʊl/

(verb) rollen, draaien, walsen;

(noun) rol, broodje

Voorbeeld:

The ball rolled down the hill.
De bal rolde de heuvel af.

require

/rɪˈkwaɪr/

(verb) vereisen, nodig hebben, verplichten

Voorbeeld:

The recipe requires three eggs.
Het recept vereist drie eieren.

care

/ker/

(noun) zorg, verzorging, zorgvuldigheid;

(verb) zich bekommeren om, geven om, zorgen voor

Voorbeeld:

She provides excellent care for her elderly parents.
Zij biedt uitstekende zorg voor haar bejaarde ouders.

fly

/flaɪ/

(verb) vliegen, schieten, voorbijvliegen;

(noun) vlieg, gulp

Voorbeeld:

Birds fly south for the winter.
Vogels vliegen naar het zuiden voor de winter.

pick

/pɪk/

(verb) kiezen, uitkiezen, plukken;

(noun) keuze, selectie, houweel

Voorbeeld:

She had to pick a dress for the party.
Ze moest een jurk kiezen voor het feest.

connect

/kəˈnekt/

(verb) verbinden, aansluiten, verbinding maken

Voorbeeld:

Can you connect these two wires?
Kun je deze twee draden verbinden?

catch

/kætʃ/

(verb) vangen, grijpen, betrappen;

(noun) vangbal, vangspel, addertje onder het gras

Voorbeeld:

She managed to catch the ball with one hand.
Ze slaagde erin de bal met één hand te vangen.

release

/rɪˈliːs/

(verb) vrijlaten, loslaten, uitbrengen;

(noun) vrijlating, uitgave

Voorbeeld:

The police decided to release the suspect due to lack of evidence.
De politie besloot de verdachte te vrijlaten wegens gebrek aan bewijs.

fall

/fɑːl/

(verb) vallen, dalen, afnemen;

(noun) val, daling, herfst

Voorbeeld:

The apple fell from the tree.
De appel viel van de boom.

receive

/rɪˈsiːv/

(verb) ontvangen, krijgen, oplopen

Voorbeeld:

She received a letter from her friend.
Ze ontving een brief van haar vriendin.

describe

/dɪˈskraɪb/

(verb) beschrijven, omschrijven

Voorbeeld:

Can you describe the suspect?
Kun je de verdachte beschrijven?

shoot

/ʃuːt/

(verb) schieten, neerschieten, snellen;

(noun) schot, scheut, spruit;

(exclamation) verdorie, zeg op

Voorbeeld:

The police officer had to shoot the armed suspect.
De politieagent moest de gewapende verdachte neerschieten.

answer

/ˈæn.sɚ/

(noun) antwoord, reactie;

(verb) antwoorden, beantwoorden

Voorbeeld:

She gave a quick answer to the question.
Ze gaf een snel antwoord op de vraag.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland