Vocabulaireverzameling Top 1 - 25 Adjectives in 500 Meest Voorkomende Engelse Bijvoeglijke Naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Top 1 - 25 Adjectives' in '500 Meest Voorkomende Engelse Bijvoeglijke Naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) goed, leuk, aangenaam;
(adverb) goed;
(noun) het goede, welzijn;
(exclamation) goed
Voorbeeld:
(adjective) ander, andere;
(pronoun) ander, andere
Voorbeeld:
Do you have any other questions?
(adjective) klein, weinig, jong;
(determiner) weinig, beetje;
(adverb) een beetje, weinig
Voorbeeld:
(adjective) nieuw, onbekend;
(adverb) vers, recentelijk
Voorbeeld:
(adjective) groot, geweldig, uitstekend;
(adverb) geweldig, uitstekend
Voorbeeld:
(adjective) anders, verschillend, afzonderlijk
Voorbeeld:
(adjective) goddelijk, heerlijk, prachtig;
(verb) raden, doorgronden
Voorbeeld:
(adjective) groot, omvangrijk, belangrijk;
(adverb) grootspraak, arrogant
Voorbeeld:
(adjective) juist, correct, rechts;
(adverb) rechts, meteen, direct;
(noun) recht, rechten, rechts;
(verb) rechtop zetten, corrigeren;
(interjection) oké, toch
Voorbeeld:
(adjective) hetzelfde, gelijk;
(pronoun) hetzelfde;
(adverb) hetzelfde, op dezelfde manier
Voorbeeld:
(adjective) volgende, hierna, naast;
(adverb) vervolgens, daarna
Voorbeeld:
(adjective) laatste, meest recente;
(adverb) laatst, voor het laatst;
(verb) duren, meegaan, blijven bestaan
Voorbeeld:
(adjective) eigen;
(verb) bezitten, eigenaar zijn van, toegeven;
(adverb) alleen, zelfstandig
Voorbeeld:
(adjective) zeker, vaststaand, overtuigd;
(adverb) zeker, inderdaad;
(exclamation) zeker, natuurlijk
Voorbeeld:
(adjective) slecht, onaangenaam, ernstig;
(adverb) slecht, beroerd
Voorbeeld:
(adjective) belangrijk, essentieel, cruciaal
Voorbeeld:
(adjective) hoog, maximaal, belangrijk;
(adverb) hoog;
(noun) hoogtepunt, record
Voorbeeld:
(adjective) in staat, bekwaam, kundig
Voorbeeld:
(adjective) oud, voormalig, ouwe
Voorbeeld:
(adjective) klein, onbelangrijk;
(adverb) klein, fijn
Voorbeeld:
(adjective) heel, geheel, intact;
(noun) geheel, totaliteit;
(adverb) helemaal, volledig
Voorbeeld:
(adverb) goed, ruim;
(adjective) goed, gezond;
(interjection) nou, wel;
(noun) put, bron;
(verb) opwellen, stromen
Voorbeeld:
(adjective) lang, langdurig;
(adverb) lang;
(verb) verlangen, smachten
Voorbeeld:
(adjective) leuk, mooi, fijn
Voorbeeld:
(adjective) echt, werkelijk, oprecht;
(adverb) echt, erg
Voorbeeld: