Avatar of Vocabulary Set Top 1 - 25 Adjectives

Vocabulaireverzameling Top 1 - 25 Adjectives in 500 Meest Voorkomende Engelse Bijvoeglijke Naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 1 - 25 Adjectives' in '500 Meest Voorkomende Engelse Bijvoeglijke Naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

good

/ɡʊd/

(adjective) goed, leuk, aangenaam;

(adverb) goed;

(noun) het goede, welzijn;

(exclamation) goed

Voorbeeld:

She's a very good student.
Ze is een hele goede student.

other

/ˈʌð.ɚ/

(adjective) ander, andere;

(pronoun) ander, andere

Voorbeeld:

Do you have any other questions?

Heb je nog andere vragen?

little

/ˈlɪt̬.əl/

(adjective) klein, weinig, jong;

(determiner) weinig, beetje;

(adverb) een beetje, weinig

Voorbeeld:

She has a little dog.
Ze heeft een klein hondje.

new

/nuː/

(adjective) nieuw, onbekend;

(adverb) vers, recentelijk

Voorbeeld:

This is a new car.
Dit is een nieuwe auto.

great

/ɡreɪt/

(adjective) groot, geweldig, uitstekend;

(adverb) geweldig, uitstekend

Voorbeeld:

The company achieved great success this year.
Het bedrijf behaalde dit jaar groot succes.

different

/ˈdɪf.ɚ.ənt/

(adjective) anders, verschillend, afzonderlijk

Voorbeeld:

She wore a different dress to the party.
Ze droeg een andere jurk naar het feest.

divine

/dɪˈvaɪn/

(adjective) goddelijk, heerlijk, prachtig;

(verb) raden, doorgronden

Voorbeeld:

Many ancient cultures worshipped a multitude of divine beings.
Veel oude culturen aanbaden een veelheid aan goddelijke wezens.

big

/bɪɡ/

(adjective) groot, omvangrijk, belangrijk;

(adverb) grootspraak, arrogant

Voorbeeld:

He lives in a big house.
Hij woont in een groot huis.

right

/raɪt/

(adjective) juist, correct, rechts;

(adverb) rechts, meteen, direct;

(noun) recht, rechten, rechts;

(verb) rechtop zetten, corrigeren;

(interjection) oké, toch

Voorbeeld:

It's not right to cheat on a test.
Het is niet juist om te spieken bij een toets.

same

/seɪm/

(adjective) hetzelfde, gelijk;

(pronoun) hetzelfde;

(adverb) hetzelfde, op dezelfde manier

Voorbeeld:

We have the same car.
We hebben dezelfde auto.

next

/nekst/

(adjective) volgende, hierna, naast;

(adverb) vervolgens, daarna

Voorbeeld:

What are you doing next?
Wat ga je hierna doen?

last

/læst/

(adjective) laatste, meest recente;

(adverb) laatst, voor het laatst;

(verb) duren, meegaan, blijven bestaan

Voorbeeld:

This is your last chance.
Dit is je laatste kans.

own

/oʊn/

(adjective) eigen;

(verb) bezitten, eigenaar zijn van, toegeven;

(adverb) alleen, zelfstandig

Voorbeeld:

I have my own car.
Ik heb mijn eigen auto.

sure

/ʃʊr/

(adjective) zeker, vaststaand, overtuigd;

(adverb) zeker, inderdaad;

(exclamation) zeker, natuurlijk

Voorbeeld:

It's sure to rain later.
Het gaat zeker later regenen.

bad

/bæd/

(adjective) slecht, onaangenaam, ernstig;

(adverb) slecht, beroerd

Voorbeeld:

The food at that restaurant was really bad.
Het eten in dat restaurant was echt slecht.

important

/ɪmˈpɔːr.tənt/

(adjective) belangrijk, essentieel, cruciaal

Voorbeeld:

It's important to eat a healthy breakfast.
Het is belangrijk om een gezond ontbijt te eten.

high

/haɪ/

(adjective) hoog, maximaal, belangrijk;

(adverb) hoog;

(noun) hoogtepunt, record

Voorbeeld:

The mountain is very high.
De berg is erg hoog.

able

/ˈeɪ.bəl/

(adjective) in staat, bekwaam, kundig

Voorbeeld:

She is able to speak three languages fluently.
Ze is in staat om drie talen vloeiend te spreken.

old

/oʊld/

(adjective) oud, voormalig, ouwe

Voorbeeld:

In the old days, people used to write letters.
In de oude dagen schreven mensen brieven.

small

/smɑːl/

(adjective) klein, onbelangrijk;

(adverb) klein, fijn

Voorbeeld:

She lives in a small house.
Ze woont in een klein huis.

whole

/hoʊl/

(adjective) heel, geheel, intact;

(noun) geheel, totaliteit;

(adverb) helemaal, volledig

Voorbeeld:

He ate the whole cake by himself.
Hij at de hele taart in zijn eentje op.

well

/wel/

(adverb) goed, ruim;

(adjective) goed, gezond;

(interjection) nou, wel;

(noun) put, bron;

(verb) opwellen, stromen

Voorbeeld:

She sings very well.
Ze zingt heel goed.

long

/lɑːŋ/

(adjective) lang, langdurig;

(adverb) lang;

(verb) verlangen, smachten

Voorbeeld:

The river is very long.
De rivier is erg lang.

nice

/naɪs/

(adjective) leuk, mooi, fijn

Voorbeeld:

We had a really nice time at the party.
We hadden een hele leuke tijd op het feest.

real

/ˈriː.əl/

(adjective) echt, werkelijk, oprecht;

(adverb) echt, erg

Voorbeeld:

Is this a real diamond or a fake?
Is dit een echte diamant of een neppe?
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland