Vocabulaireverzameling C1 - Zich niet lekker voelen in Niveau C1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'C1 - Zich niet lekker voelen' in 'Niveau C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) kwaal, aandoening, ziekte
Voorbeeld:
(noun) agonie, hevige pijn
Voorbeeld:
(noun) syndroom, gedragspatroon
Voorbeeld:
(adjective) acuut, scherpzinnig, ernstig
Voorbeeld:
(adjective) chronisch, langdurig, gewoontegetrouw
Voorbeeld:
(adjective) besmettelijk, aanstekelijk
Voorbeeld:
(adjective) buiten adem, ademloos, spannend
Voorbeeld:
(adjective) duizelig, duizelingwekkend, dwaas
Voorbeeld:
(adjective) fataal, dodelijk, noodlottig
Voorbeeld:
(adjective) koortsig, koortsachtig, hectisch
Voorbeeld:
(adjective) gezwollen, opgezwollen, toegenomen;
(past participle) gezwollen, opgezwollen
Voorbeeld:
(noun) astma
Voorbeeld:
(noun) vogelgriep
Voorbeeld:
(noun) COVID-19, coronavirus
Voorbeeld:
(noun) diarree
Voorbeeld:
(noun) hooikoorts
Voorbeeld:
(abbreviation) HIV
Voorbeeld:
(noun) mazelen
Voorbeeld:
(noun) plaag, pest, overlast;
(verb) plagen, teisteren
Voorbeeld:
(noun) slag, streek, beroerte;
(verb) aaien, strelen, slaan
Voorbeeld:
(noun) blaar, bobbel;
(verb) blaren, opblazen
Voorbeeld:
(noun) klont, brok, bult;
(verb) samenvoegen, op één hoop gooien, groeperen
Voorbeeld:
(noun) uitslag, huiduitslag;
(adjective) overhaast, onbezonnen
Voorbeeld:
(noun) litteken, trauma;
(verb) verminken, littekens achterlaten, traumatiseren
Voorbeeld:
(noun) zwelling, opzwelling, toename
Voorbeeld:
(verb) instorten, ineenstorten, bezinken;
(noun) instorting, ineenstorting, val
Voorbeeld:
(noun) vermoeidheid, uitputting, moeheid;
(verb) vermoeien, uitputten
Voorbeeld:
(noun) breuk, scheur, scheiding;
(verb) breken, scheuren, splijten
Voorbeeld:
(phrasal verb) herstellen, terugveren, zich herpakken
Voorbeeld:
(phrasal verb) klagen over, lijden aan
Voorbeeld:
(noun) flauwte, bewusteloosheid;
(verb) flauwvallen, bewusteloos worden;
(adjective) zwak, vaag, onduidelijk
Voorbeeld:
(verb) infecteren, besmetten, aansteken
Voorbeeld:
(noun) verslaafde, fanaat;
(verb) verslaafd maken
Voorbeeld:
(noun) drager, vervoerder, provider
Voorbeeld:
(noun) epidemie, uitbraak, snelle verspreiding;
(adjective) epidemisch, wijdverspreid
Voorbeeld:
(noun) pandemie;
(adjective) pandemisch
Voorbeeld:
(noun) uitbraak, uitbarsting
Voorbeeld:
(noun) parasiet, profiteur
Voorbeeld:
(noun) rilling, huivering;
(verb) rillen, huiveren
Voorbeeld:
(adjective) versleten, uitgeput, moe
Voorbeeld:
(adjective) benauwd, muf, drukkend
Voorbeeld: