Avatar of Vocabulary Set B2 - Je oogst wat je zaait!

Vocabulaireverzameling B2 - Je oogst wat je zaait! in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B2 - Je oogst wat je zaait!' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

cornfield

/ˈkɔːrn.fiːld/

(noun) maïsveld

Voorbeeld:

The children ran through the tall cornfield, playing hide-and-seek.
De kinderen renden door het hoge maïsveld, verstoppertje spelend.

plantation

/plænˈteɪ.ʃən/

(noun) plantage, aanplant

Voorbeeld:

The old sugar plantation is now a historical museum.
De oude suikerplantage is nu een historisch museum.

cowboy

/ˈkaʊ.bɔɪ/

(noun) cowboy, roekeloos persoon, onverantwoordelijk persoon

Voorbeeld:

The cowboy expertly roped the calf.
De cowboy ving behendig het kalf met een lasso.

crop

/krɑːp/

(noun) gewas, oogst, kort kapsel;

(verb) snoeien, verbouwen, knippen

Voorbeeld:

Wheat is a major crop in this region.
Tarwe is een belangrijk gewas in deze regio.

groundwater

/ˈɡrɑʊndˌwɔt̬·ər, -ˌwɑt̬·ər/

(noun) grondwater

Voorbeeld:

The well draws its water from the groundwater aquifer.
De put haalt zijn water uit de grondwaterhoudende laag.

erosion

/ɪˈroʊ.ʒən/

(noun) erosie, afbraak, afname

Voorbeeld:

Soil erosion is a major problem in many agricultural areas.
Bodemerosie is een groot probleem in veel landbouwgebieden.

pesticide

/ˈpes.tə.saɪd/

(noun) bestrijdingsmiddel, pesticide

Voorbeeld:

Farmers often use pesticides to protect their crops from insects.
Boeren gebruiken vaak bestrijdingsmiddelen om hun gewassen te beschermen tegen insecten.

agricultural

/ˌæɡ.rəˈkʌl.tʃɚ.əl/

(adjective) agrarisch, landbouw-

Voorbeeld:

The region is known for its rich agricultural land.
De regio staat bekend om zijn rijke landbouwgrond.

edible

/ˈed.ə.bəl/

(adjective) eetbaar;

(noun) eetwaren, voedingsmiddelen

Voorbeeld:

These mushrooms are edible.
Deze paddenstoelen zijn eetbaar.

fertile

/ˈfɝː.t̬əl/

(adjective) vruchtbaar, productief, fertil

Voorbeeld:

The Nile Delta is a very fertile region.
De Nijldelta is een zeer vruchtbaar gebied.

produce

/prəˈduːs/

(verb) produceren, vervaardigen, opleveren;

(noun) producten, landbouwproducten

Voorbeeld:

The factory produces cars.
De fabriek produceert auto's.

barley

/ˈbɑːr.li/

(noun) gerst

Voorbeeld:

The farmer harvested a field of golden barley.
De boer oogstte een veld met gouden gerst.

legume

/ˈleɡ.juːm/

(noun) peulvrucht, boon

Voorbeeld:

Soybeans are a common legume used in many dishes.
Sojabonen zijn een veelvoorkomende peulvrucht die in veel gerechten wordt gebruikt.

hay

/heɪ/

(noun) hooi

Voorbeeld:

The farmer stored the hay in the barn for winter.
De boer sloeg het hooi op in de schuur voor de winter.

soy

/sɔɪ/

(noun) soja

Voorbeeld:

Many vegetarian dishes use soy as a protein source.
Veel vegetarische gerechten gebruiken soja als eiwitbron.

sugar cane

/ˈʃʊɡər keɪn/

(noun) suikerriet

Voorbeeld:

The farmer harvested the sugar cane in the field.
De boer oogstte het suikerriet op het veld.

dig

/dɪɡ/

(verb) graven, spitten, opgraven;

(noun) graafwerk, opgraving, steek

Voorbeeld:

They decided to dig a well in their backyard.
Ze besloten een put te graven in hun achtertuin.

harness

/ˈhɑːr.nəs/

(noun) tuig, harnas, gordel;

(verb) aantuigen, inspannen, benutten

Voorbeeld:

The farmer put the harness on the horse before plowing the field.
De boer deed het tuig om het paard voordat hij het veld ploegde.

harvest

/ˈhɑːr.vəst/

(noun) oogst, opbrengst;

(verb) oogsten, binnenhalen, plukken

Voorbeeld:

The harvest was abundant this year due to good weather.
De oogst was overvloedig dit jaar dankzij het goede weer.

keep

/kiːp/

(verb) houden, behouden, blijven;

(noun) donjon, burcht

Voorbeeld:

You can keep the change.
Je mag het wisselgeld houden.

load

/loʊd/

(noun) lading, vracht, werkdruk;

(verb) laden, beladen, vullen

Voorbeeld:

The truck carried a heavy load of timber.
De vrachtwagen vervoerde een zware lading hout.

package

/ˈpæk.ɪdʒ/

(noun) pakket, pakje, voorstel;

(verb) verpakken, inpakken

Voorbeeld:

The mailman delivered a large package.
De postbode bezorgde een groot pakket.

pile

/paɪl/

(noun) stapel, hoop, bouwwerk;

(verb) stapelen, ophopen

Voorbeeld:

There's a pile of books on my desk.
Er ligt een stapel boeken op mijn bureau.

uproot

/ʌpˈruːt/

(verb) ontwortelen, uitroeien, verhuizen

Voorbeeld:

The strong winds uprooted several trees in the garden.
De sterke wind ontwortelde verschillende bomen in de tuin.

livestock

/ˈlaɪv.stɑːk/

(noun) vee, veestapel

Voorbeeld:

The farmer keeps various types of livestock, including cows and sheep.
De boer houdt verschillende soorten vee, waaronder koeien en schapen.

boar

/bɔːr/

(noun) wild zwijn, everzwijn, beer

Voorbeeld:

The hunter tracked a large wild boar through the forest.
De jager volgde een groot wild zwijn door het bos.

calf

/kæf/

(noun) kalf, kuit, ijskalf

Voorbeeld:

The farmer watched the newborn calf take its first wobbly steps.
De boer keek hoe het pasgeboren kalf zijn eerste wankele stappen zette.

hog

/hɑːɡ/

(noun) varken, zwijn, motor;

(verb) voor zichzelf houden, monopoliseren

Voorbeeld:

The farmer raised several hogs for market.
De boer fokte verschillende varkens voor de markt.

mule

/mjuːl/

(noun) muilezel, muiltje, slipper

Voorbeeld:

The farmer used a mule to carry heavy loads up the mountain.
De boer gebruikte een muilezel om zware lasten de berg op te dragen.

pony

/ˈpoʊ.ni/

(noun) pony, klein biertje, ponyglas;

(verb) neertellen, betalen

Voorbeeld:

My daughter loves riding her new pony.
Mijn dochter houdt ervan om op haar nieuwe pony te rijden.

honeycomb

/ˈhʌn.i.koʊm/

(noun) honingraat, bijenraat, honingraatstructuur;

(verb) doorzeven, vol gaten maken

Voorbeeld:

The beekeeper carefully removed a section of honeycomb from the hive.
De imker verwijderde voorzichtig een stuk honingraat uit de bijenkorf.

poultry

/ˈpoʊl.tri/

(noun) gevogelte

Voorbeeld:

We raise poultry for both eggs and meat on our farm.
Wij houden gevogelte voor zowel eieren als vlees op onze boerderij.

ostrich

/ˈɑː.strɪtʃ/

(noun) struisvogel, struisvogel (figuurlijk)

Voorbeeld:

The ostrich is the largest living bird.
De struisvogel is de grootste levende vogel.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland