Avatar of Vocabulary Set B2 - Algemene Adjectieven 2

Vocabulaireverzameling B2 - Algemene Adjectieven 2 in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B2 - Algemene Adjectieven 2' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

forward

/ˈfɔːr.wɚd/

(adverb) vooruit, naar voren, verder;

(adjective) voorwaarts, voorste, brutaal;

(verb) doorsturen, verzenden;

(noun) aanvaller, spits

Voorbeeld:

Please move forward to make space for others.
Ga alstublieft naar voren om ruimte te maken voor anderen.

fundamental

/ˌfʌn.dəˈmen.t̬əl/

(adjective) fundamenteel, essentieel;

(noun) grondbeginselen, basisprincipes

Voorbeeld:

The fundamental principles of physics.
De fundamentele principes van de natuurkunde.

grand

/ɡrænd/

(adjective) groots, indrukwekkend, magnifiek;

(noun) duizend, duizend pond

Voorbeeld:

The palace was a grand building with towering spires.
Het paleis was een groots gebouw met torenhoge spitsen.

hilarious

/hɪˈler.i.əs/

(adjective) hilarisch, grappig

Voorbeeld:

The comedian's jokes were absolutely hilarious.
De grappen van de komiek waren absoluut hilarisch.

honorable

/ˈɑː.nɚ.ə.bəl/

(adjective) eerbaar, respectabel, eervol

Voorbeeld:

He is an honorable man who always keeps his promises.
Hij is een eerbaar man die altijd zijn beloften nakomt.

humorous

/ˈhjuː.mə.rəs/

(adjective) humoristisch, grappig

Voorbeeld:

He told a humorous story that made everyone laugh.
Hij vertelde een humoristisch verhaal dat iedereen aan het lachen maakte.

impressed

/ɪmˈprest/

(adjective) onder de indruk, geïmponeerd;

(verb) indruk maken op, imponeren

Voorbeeld:

I was very impressed by her performance.
Ik was erg onder de indruk van haar optreden.

initial

/ɪˈnɪʃ.əl/

(adjective) initieel, aanvankelijk, eerste;

(noun) initiaal, voorletter;

(verb) paraferen, voorletteren

Voorbeeld:

The initial phase of the project was successful.
De initiële fase van het project was succesvol.

inner

/ˈɪn.ɚ/

(adjective) innerlijk, intern, mentaal

Voorbeeld:

The inner workings of the clock are very complex.
De interne werking van de klok is zeer complex.

intended

/ɪnˈten.dɪd/

(adjective) bedoeld, gepland;

(noun) aanstaande, verloofde;

(past participle) bedoeld, voorgenomen

Voorbeeld:

The intended purpose of the meeting was to discuss the budget.
Het bedoelde doel van de vergadering was om de begroting te bespreken.

intense

/ɪnˈtens/

(adjective) intens, hevig, sterk

Voorbeeld:

The heat was so intense that we had to stay indoors.
De hitte was zo intens dat we binnen moesten blijven.

internal

/ɪnˈtɝː.nəl/

(adjective) intern, binnen-, binnenlands

Voorbeeld:

The doctor examined his internal organs.
De dokter onderzocht zijn interne organen.

literal

/ˈlɪt̬.ɚ.əl/

(adjective) letterlijk, woordelijk, feitelijk

Voorbeeld:

He gave a literal translation of the text.
Hij gaf een letterlijke vertaling van de tekst.

mass

/mæs/

(noun) massa, klomp, menigte;

(verb) verzamelen, samenpakken;

(adjective) massaal, grootschalig

Voorbeeld:

A huge mass of rock blocked the road.
Een enorme massa rots blokkeerde de weg.

material

/məˈtɪr.i.əl/

(noun) materiaal, stof, informatie;

(adjective) materieel, stoffelijk

Voorbeeld:

The dress was made of a soft, flowing material.
De jurk was gemaakt van een zachte, vloeiende stof.

minor

/ˈmaɪ.nɚ/

(adjective) klein, gering, onbelangrijk;

(noun) minderjarige

Voorbeeld:

It's only a minor problem.
Het is maar een klein probleem.

mixed

/mɪkst/

(adjective) gemengd, divers;

(past participle) gemengd

Voorbeeld:

The audience was a mixed group of young and old.
Het publiek was een gemengde groep van jong en oud.

overall

/ˌoʊ.vɚˈɑːl/

(adjective) algemeen, totaal;

(adverb) over het algemeen, in het algemeen;

(noun) overall, tuinbroek

Voorbeeld:

The overall cost of the project was higher than expected.
De totale kosten van het project waren hoger dan verwacht.

potential

/poʊˈten.ʃəl/

(adjective) potentieel, mogelijke;

(noun) potentieel, mogelijkheden

Voorbeeld:

He is a potential candidate for the job.
Hij is een potentiële kandidaat voor de baan.

prime

/praɪm/

(adjective) voornaamste, belangrijkste, uitstekend;

(noun) bloei, hoogtepunt, priemgetal;

(verb) voorbereiden, activeren

Voorbeeld:

Our prime concern is the safety of our employees.
Onze voornaamste zorg is de veiligheid van onze werknemers.

principal

/ˈprɪn.sə.pəl/

(noun) directeur, schoolhoofd, hoofdsom;

(adjective) voornaamste, belangrijkste, hoofd-

Voorbeeld:

The principal announced the new school policy.
De directeur kondigde het nieuwe schoolbeleid aan.

pure

/pjʊr/

(adjective) puur, zuiver, onberispelijk

Voorbeeld:

The ring is made of pure gold.
De ring is gemaakt van puur goud.

rapid

/ˈræp.ɪd/

(adjective) snel, rap

Voorbeeld:

The company experienced rapid growth in the last quarter.
Het bedrijf kende een snelle groei in het laatste kwartaal.

representative

/ˌrep.rɪˈzen.t̬ə.t̬ɪv/

(noun) vertegenwoordiger, afgevaardigde;

(adjective) representatief, kenmerkend

Voorbeeld:

Each state sends representatives to the national convention.
Elke staat stuurt vertegenwoordigers naar de nationale conventie.

resident

/ˈrez.ə.dənt/

(noun) inwoner, bewoner, resident;

(adjective) ingezeten, wonend

Voorbeeld:

She has been a resident of this city for over 20 years.
Ze is al meer dan 20 jaar inwoner van deze stad.

routine

/ruːˈtiːn/

(noun) routine, gewoonte, subroutine;

(adjective) routine, gebruikelijk

Voorbeeld:

My morning routine includes coffee and reading the news.
Mijn ochtendroutine omvat koffie en het lezen van het nieuws.

shocked

/ʃɑːkt/

(adjective) geschokt, verbijsterd;

(verb) schokken, verbijsteren

Voorbeeld:

She was shocked by the news of his sudden death.
Ze was geschokt door het nieuws van zijn plotselinge dood.

slight

/slaɪt/

(adjective) licht, gering, klein;

(verb) negeren, minachten, beledigen;

(noun) belediging, minachting, veronachtzaming

Voorbeeld:

There's a slight chance of rain today.
Er is een lichte kans op regen vandaag.

sticky

/ˈstɪk.i/

(adjective) plakkerig, kleverig, lastig

Voorbeeld:

The candy was so sticky that it got stuck to my teeth.
De snoep was zo plakkerig dat het aan mijn tanden bleef plakken.

stiff

/stɪf/

(adjective) stijf, rigide, streng;

(noun) lijk, dode, gierigaard;

(verb) niet betalen, afzetten;

(adverb) erg, zeer

Voorbeeld:

The old door was stiff and hard to open.
De oude deur was stijf en moeilijk te openen.

unconscious

/ʌnˈkɑːn.ʃəs/

(adjective) bewusteloos, onbewust

Voorbeeld:

He was knocked unconscious by the blow to his head.
Hij werd bewusteloos geslagen door de klap op zijn hoofd.

upper

/ˈʌp.ɚ/

(adjective) bovenste, hoger gelegen, hoger;

(noun) bovenwerk

Voorbeeld:

The upper deck of the ship offered a great view.
Het bovenste dek van het schip bood een geweldig uitzicht.

very

/ˈver.i/

(adverb) erg, zeer;

(adjective) precies, zelf

Voorbeeld:

She is very kind.
Ze is erg aardig.

vital

/ˈvaɪ.t̬əl/

(adjective) vitaal, essentieel, cruciaal

Voorbeeld:

It is vital that you keep accurate records.
Het is van vitaal belang dat u nauwkeurige gegevens bijhoudt.

willing

/ˈwɪl.ɪŋ/

(adjective) bereid, willig, genegen

Voorbeeld:

She is always willing to help others.
Ze is altijd bereid om anderen te helpen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland