Vocabulaireverzameling B1 - Tijd in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Tijd' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) periode, tijdperk, punt;
(exclamation) punt uit, klaar
Voorbeeld:
(noun) term, uitdrukking, termijn;
(verb) noemen, betitelen
Voorbeeld:
(noun) tijd, poos;
(conjunction) terwijl, gedurende, hoewel;
(verb) verdoen, doorbrengen
Voorbeeld:
(noun) overdag, dagtijd
Voorbeeld:
(noun) nachttijd, nacht
Voorbeeld:
(noun) daglicht, dag, verschil
Voorbeeld:
(noun) middag, twaalf uur 's middags
Voorbeeld:
(phrase) soms, af en toe
Voorbeeld:
(adjective) continu, ononderbroken
Voorbeeld:
(adverb) voortdurend, ononderbroken
Voorbeeld:
(idiom) van tevoren, voor de tijd
Voorbeeld:
(adjective) laat, te laat, eind-;
(adverb) laat, te laat, tot laat
Voorbeeld:
(adjective) laatste, meest recente;
(adverb) laatst, voor het laatst;
(verb) duren, meegaan, blijven bestaan
Voorbeeld:
(verb) nemen, pakken, brengen;
(noun) opname, shot, greep
Voorbeeld:
(adjective) punctueel, stipt
Voorbeeld:
(preposition) doorheen, overal in, gedurende;
(adverb) door en door, overal
Voorbeeld:
(adjective) plotseling, abrupt
Voorbeeld:
(adverb) regelmatig, vaak, gelijkmatig
Voorbeeld:
(adjective) regelmatig, gewoon, gelijkmatig;
(noun) vaste klant, habitué
Voorbeeld:
(adjective) onmiddellijk, direct, naaste
Voorbeeld:
(adverb) uiteindelijk, tenslotte
Voorbeeld:
(adverb) daarna, achteraf
Voorbeeld:
(adverb) geleden
Voorbeeld:
(phrase) altijd, voortdurend
Voorbeeld:
(adverb) ver, veel, erg;
(adjective) ver
Voorbeeld:
(adjective) uurlijks, per uur;
(adverb) uurlijks, elk uur
Voorbeeld:
(adverb) onmiddellijk, direct, ogenblikkelijk
Voorbeeld:
(noun) cadeau, geschenk, heden;
(adjective) aanwezig, huidig;
(verb) presenteren, aanbieden, geven
Voorbeeld:
(adjective) voorbij, verleden;
(noun) verleden;
(preposition) voorbij, langs;
(adverb) voorbij
Voorbeeld:
(noun) toekomst, vooruitzichten;
(adjective) toekomstig
Voorbeeld:
(adverb) al, reeds, nu al
Voorbeeld:
(adverb) momenteel, thans
Voorbeeld:
(adverb) ooit, altijd, in vredesnaam
Voorbeeld:
(adverb) voor altijd, eeuwig, heel lang
Voorbeeld:
(adverb) precies, net, alleen;
(adjective) rechtvaardig, eerlijk
Voorbeeld:
(adverb) ondertussen, intussen;
(noun) tussentijd, ondertussen
Voorbeeld:
(adverb) eerder, voorheen
Voorbeeld:
(adverb) verder, meer;
(adjective) verder, additioneel;
(verb) bevorderen, stimuleren
Voorbeeld:
(adverb) weg, af, door;
(adjective) verderop, weg
Voorbeeld:
(adjective) onregelmatig, oneffen, afwijkend
Voorbeeld: