Vocabulaireverzameling B1 - Hoeveelheden en Verpakkingen in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Hoeveelheden en Verpakkingen' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) Fahrenheit;
(adjective) Fahrenheit
Voorbeeld:
(adjective) Celsius;
(noun) Celsius
Voorbeeld:
(adjective) Celsius, centigrade;
(noun) Celsius, centigrade
Voorbeeld:
(noun) dozijn, tientallen, veel;
(determiner) per dozijn, dozijn
Voorbeeld:
(noun) ons, ounce, greintje
Voorbeeld:
(noun) gallon
Voorbeeld:
(noun) inch;
(verb) langzaam bewegen, vooruit kruipen
Voorbeeld:
(noun) schaal, omvang, schub;
(verb) beklimmen, bestijgen, schubben
Voorbeeld:
(noun) stuk, deel, item;
(verb) samenvoegen, herstellen
Voorbeeld:
(noun) plak, schijf, deel;
(verb) snijden, schijven, slicen
Voorbeeld:
(noun) brood, pastei;
(verb) luieren, rondhangen
Voorbeeld:
(noun) staaf, balk, spijl;
(verb) versperren, verbieden, uitsluiten
Voorbeeld:
(verb) rollen, draaien, walsen;
(noun) rol, broodje
Voorbeeld:
(noun) getal, nummer, aantal;
(verb) bedragen, tellen, nummeren
Voorbeeld:
(noun) bos, tros, boel;
(verb) plooien, ballen, samentrekken
Voorbeeld:
(noun) stapel, hoop, bouwwerk;
(verb) stapelen, ophopen
Voorbeeld:
(noun) rij, ruzie, geschil;
(verb) roeien, ruziën, bekvechten
Voorbeeld:
(noun) rand, kant, snijkant;
(verb) omzomen, afboorden, schuifelen
Voorbeeld:
(noun) container, bak, vat
Voorbeeld:
(noun) karton, doos
Voorbeeld:
(noun) geval, koffer, doos;
(verb) verpakken, inpakken, observeren
Voorbeeld:
(noun) pak, rugzak, bundel;
(verb) inpakken, verpakken, vullen
Voorbeeld:
(noun) pakje, zakje, pakketje
Voorbeeld:
(noun) pakket, pakje, voorstel;
(verb) verpakken, inpakken
Voorbeeld:
(noun) mok, beker, gezicht;
(verb) overvallen, beroven, grimassen trekken
Voorbeeld:
(noun) kan, kruik, borsten;
(verb) arresteren, gevangenzetten
Voorbeeld:
(noun) pot, bokaal;
(verb) schokken, irriteren, botsen
Voorbeeld:
(noun) buis, slang, metro;
(verb) in een buis doen, door een buis leiden
Voorbeeld:
(noun) dienblad, blad, bakje;
(verb) op een dienblad leggen, opmaken
Voorbeeld:
(modal verb) kunnen, mogelijk zijn, mogen;
(noun) blik, blikje;
(verb) inblikken, conserveren
Voorbeeld:
(noun) mand, basket, ring
Voorbeeld:
(noun) emmer;
(verb) storten, scheppen
Voorbeeld:
(adjective) extra, aanvullend;
(adverb) extra, buitengewoon;
(noun) extra, toeslag
Voorbeeld:
(noun) maximum, hoogste;
(adjective) maximaal, hoogst
Voorbeeld:
(noun) minimum, het minste;
(adjective) minimaal, geringst
Voorbeeld:
(adjective) beperkt, gelimiteerd, besloten vennootschap
Voorbeeld:
(adjective) hoog, maximaal, belangrijk;
(adverb) hoog;
(noun) hoogtepunt, record
Voorbeeld:
(adjective) dubbel, tweevoudig, twee keer zoveel;
(verb) verdubbelen;
(adverb) dubbel, twee keer zoveel;
(noun) dubbele, tweehonkslag
Voorbeeld:
(noun) helft;
(determiner) half;
(adverb) half, gedeeltelijk
Voorbeeld:
(determiner) genoeg, voldoende;
(adverb) genoeg, voldoende;
(pronoun) genoeg, voldoende
Voorbeeld:
(noun) beetje, stukje, bit;
(past tense) beet
Voorbeeld: