Avatar of Vocabulary Set B1 - Hoeveelheden en Verpakkingen

Vocabulaireverzameling B1 - Hoeveelheden en Verpakkingen in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Hoeveelheden en Verpakkingen' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

fahrenheit

/ˈfer.ən.haɪt/

(noun) Fahrenheit;

(adjective) Fahrenheit

Voorbeeld:

The temperature today is 75 degrees Fahrenheit.
De temperatuur is vandaag 75 graden Fahrenheit.

celsius

/ˈsel.si.əs/

(adjective) Celsius;

(noun) Celsius

Voorbeeld:

The temperature today is 25 degrees Celsius.
De temperatuur is vandaag 25 graden Celsius.

centigrade

/ˈsen.t̬ə.ɡreɪd/

(adjective) Celsius, centigrade;

(noun) Celsius, centigrade

Voorbeeld:

The temperature today is 25 degrees Centigrade.
De temperatuur is vandaag 25 graden Celsius.

dozen

/ˈdʌz.ən/

(noun) dozijn, tientallen, veel;

(determiner) per dozijn, dozijn

Voorbeeld:

She bought a dozen eggs at the market.
Ze kocht een dozijn eieren op de markt.

ounce

/aʊns/

(noun) ons, ounce, greintje

Voorbeeld:

The recipe calls for 8 ounces of flour.
Het recept vraagt om 8 ounces bloem.

gallon

/ˈɡæl.ən/

(noun) gallon

Voorbeeld:

I bought a gallon of milk from the store.
Ik kocht een gallon melk in de winkel.

inch

/ɪntʃ/

(noun) inch;

(verb) langzaam bewegen, vooruit kruipen

Voorbeeld:

The screen measures 27 inches diagonally.
Het scherm meet 27 inch diagonaal.

scale

/skeɪl/

(noun) schaal, omvang, schub;

(verb) beklimmen, bestijgen, schubben

Voorbeeld:

The Richter scale measures the magnitude of earthquakes.
De schaal van Richter meet de omvang van aardbevingen.

piece

/piːs/

(noun) stuk, deel, item;

(verb) samenvoegen, herstellen

Voorbeeld:

She cut the cake into small pieces.
Ze sneed de cake in kleine stukjes.

slice

/slaɪs/

(noun) plak, schijf, deel;

(verb) snijden, schijven, slicen

Voorbeeld:

Can I have a slice of cake?
Mag ik een plak cake?

loaf

/loʊf/

(noun) brood, pastei;

(verb) luieren, rondhangen

Voorbeeld:

She bought a loaf of whole wheat bread.
Ze kocht een brood volkorenbrood.

bar

/bɑːr/

(noun) staaf, balk, spijl;

(verb) versperren, verbieden, uitsluiten

Voorbeeld:

He lifted the heavy iron bar.
Hij tilde de zware ijzeren staaf op.

roll

/roʊl/

(verb) rollen, draaien, walsen;

(noun) rol, broodje

Voorbeeld:

The ball rolled down the hill.
De bal rolde de heuvel af.

number

/ˈnʌm.bɚ/

(noun) getal, nummer, aantal;

(verb) bedragen, tellen, nummeren

Voorbeeld:

Write down your phone number.
Schrijf je telefoonnummer op.

bunch

/bʌntʃ/

(noun) bos, tros, boel;

(verb) plooien, ballen, samentrekken

Voorbeeld:

She bought a bunch of grapes.
Ze kocht een bos druiven.

pile

/paɪl/

(noun) stapel, hoop, bouwwerk;

(verb) stapelen, ophopen

Voorbeeld:

There's a pile of books on my desk.
Er ligt een stapel boeken op mijn bureau.

row

/roʊ/

(noun) rij, ruzie, geschil;

(verb) roeien, ruziën, bekvechten

Voorbeeld:

The children sat in a row.
De kinderen zaten op een rij.

edge

/edʒ/

(noun) rand, kant, snijkant;

(verb) omzomen, afboorden, schuifelen

Voorbeeld:

She stood at the edge of the cliff.
Ze stond op de rand van de klif.

container

/kənˈteɪ.nɚ/

(noun) container, bak, vat

Voorbeeld:

Please put the leftovers in an airtight container.
Doe de restjes alstublieft in een luchtdichte container.

carton

/ˈkɑːr.t̬ən/

(noun) karton, doos

Voorbeeld:

Please buy a carton of milk from the store.
Koop alsjeblieft een pak melk in de winkel.

case

/keɪs/

(noun) geval, koffer, doos;

(verb) verpakken, inpakken, observeren

Voorbeeld:

In this case, we need to act quickly.
In dit geval moeten we snel handelen.

pack

/pæk/

(noun) pak, rugzak, bundel;

(verb) inpakken, verpakken, vullen

Voorbeeld:

He carried a large pack on his back.
Hij droeg een grote rugzak op zijn rug.

packet

/ˈpæk.ɪt/

(noun) pakje, zakje, pakketje

Voorbeeld:

She bought a packet of crisps.
Ze kocht een pakje chips.

package

/ˈpæk.ɪdʒ/

(noun) pakket, pakje, voorstel;

(verb) verpakken, inpakken

Voorbeeld:

The mailman delivered a large package.
De postbode bezorgde een groot pakket.

mug

/mʌɡ/

(noun) mok, beker, gezicht;

(verb) overvallen, beroven, grimassen trekken

Voorbeeld:

She poured hot coffee into her favorite ceramic mug.
Ze schonk hete koffie in haar favoriete keramische mok.

jug

/dʒʌɡ/

(noun) kan, kruik, borsten;

(verb) arresteren, gevangenzetten

Voorbeeld:

She filled the jug with water.
Ze vulde de kan met water.

jar

/dʒɑːr/

(noun) pot, bokaal;

(verb) schokken, irriteren, botsen

Voorbeeld:

She filled the jar with homemade jam.
Ze vulde de pot met zelfgemaakte jam.

tube

/tuːb/

(noun) buis, slang, metro;

(verb) in een buis doen, door een buis leiden

Voorbeeld:

Water flows through the tube.
Water stroomt door de buis.

tray

/treɪ/

(noun) dienblad, blad, bakje;

(verb) op een dienblad leggen, opmaken

Voorbeeld:

She carried the drinks on a silver tray.
Ze droeg de drankjes op een zilveren dienblad.

can

/kæn/

(modal verb) kunnen, mogelijk zijn, mogen;

(noun) blik, blikje;

(verb) inblikken, conserveren

Voorbeeld:

I can swim.
Ik kan zwemmen.

basket

/ˈbæs.kət/

(noun) mand, basket, ring

Voorbeeld:

She carried a picnic basket filled with sandwiches and fruit.
Ze droeg een picknickmand gevuld met broodjes en fruit.

bucket

/ˈbʌk.ɪt/

(noun) emmer;

(verb) storten, scheppen

Voorbeeld:

He filled the bucket with water from the well.
Hij vulde de emmer met water uit de put.

extra

/ˈek.strə/

(adjective) extra, aanvullend;

(adverb) extra, buitengewoon;

(noun) extra, toeslag

Voorbeeld:

Do you need any extra help with your homework?
Heb je extra hulp nodig met je huiswerk?

maximum

/ˈmæk.sə.məm/

(noun) maximum, hoogste;

(adjective) maximaal, hoogst

Voorbeeld:

The car can reach a maximum speed of 200 km/h.
De auto kan een maximale snelheid van 200 km/u bereiken.

minimum

/ˈmɪn.ə.məm/

(noun) minimum, het minste;

(adjective) minimaal, geringst

Voorbeeld:

The minimum age for voting is 18.
De minimumleeftijd om te stemmen is 18 jaar.

limited

/ˈlɪm.ɪ.t̬ɪd/

(adjective) beperkt, gelimiteerd, besloten vennootschap

Voorbeeld:

We have a limited supply of this product.
We hebben een beperkte voorraad van dit product.

high

/haɪ/

(adjective) hoog, maximaal, belangrijk;

(adverb) hoog;

(noun) hoogtepunt, record

Voorbeeld:

The mountain is very high.
De berg is erg hoog.

double

/ˈdʌb.əl/

(adjective) dubbel, tweevoudig, twee keer zoveel;

(verb) verdubbelen;

(adverb) dubbel, twee keer zoveel;

(noun) dubbele, tweehonkslag

Voorbeeld:

She ordered a double espresso.
Ze bestelde een dubbele espresso.

half

/hæf/

(noun) helft;

(determiner) half;

(adverb) half, gedeeltelijk

Voorbeeld:

She ate half of the apple.
Ze at de helft van de appel.

enough

/əˈnʌf/

(determiner) genoeg, voldoende;

(adverb) genoeg, voldoende;

(pronoun) genoeg, voldoende

Voorbeeld:

Do we have enough food for everyone?
Hebben we genoeg eten voor iedereen?

bit

/bɪt/

(noun) beetje, stukje, bit;

(past tense) beet

Voorbeeld:

Can I have a bit of your cake?
Mag ik een stukje van je taart?
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland