Avatar of Vocabulary Set A2 - School

Vocabulaireverzameling A2 - School in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - School' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

course

/kɔːrs/

(noun) koers, richting, loop;

(verb) stromen, vloeien

Voorbeeld:

The ship altered its course to avoid the storm.
Het schip veranderde zijn koers om de storm te vermijden.

lesson

/ˈles.ən/

(noun) les, onderwijs, leerstuk

Voorbeeld:

The students had a math lesson this morning.
De studenten hadden vanochtend een wiskundeles.

subject

/ˈsʌb.dʒekt/

(noun) onderwerp, thema, vak;

(verb) onderwerpen, blootstellen;

(adjective) onderhevig aan, afhankelijk van

Voorbeeld:

The main subject of the meeting was the new budget.
Het hoofdonderwerp van de vergadering was de nieuwe begroting.

level

/ˈlev.əl/

(noun) niveau, peil, vlak;

(adjective) vlak, waterpas;

(verb) egaliseren, vlak maken

Voorbeeld:

The water level in the reservoir is low.
Het waterpeil in het stuwmeer is laag.

semester

/səˈmes.tɚ/

(noun) semester, studieperiode

Voorbeeld:

The fall semester begins in late August.
Het herfstsemester begint eind augustus.

major

/ˈmeɪ.dʒɚ/

(adjective) belangrijk, groot, ernstig;

(noun) majoor, hoofdvak, studierichting;

(verb) specialiseren in, hoofdvak hebben in

Voorbeeld:

This is a major problem that needs immediate attention.
Dit is een groot probleem dat onmiddellijke aandacht vereist.

classmate

/ˈklæs.meɪt/

(noun) klasgenoot

Voorbeeld:

My best friend is also my classmate.
Mijn beste vriend is ook mijn klasgenoot.

partner

/ˈpɑːrt.nɚ/

(noun) partner, vennoot, levensgezel;

(verb) partneren, samenwerken

Voorbeeld:

She became a junior partner in the law firm.
Ze werd een junior partner in het advocatenkantoor.

dictionary

/ˈdɪk.ʃən.er.i/

(noun) woordenboek

Voorbeeld:

I looked up the word in the dictionary.
Ik zocht het woord op in het woordenboek.

exam

/ɪɡˈzæm/

(noun) examen, toets

Voorbeeld:

I have a math exam tomorrow.
Ik heb morgen een wiskundeexamen.

test

/test/

(noun) test, proef, toets;

(verb) testen, uitproberen, op de proef stellen

Voorbeeld:

The new software underwent rigorous tests before its release.
De nieuwe software onderging strenge tests voor de release.

practice

/ˈpræk.tɪs/

(noun) praktijk, toepassing, gewoonte;

(verb) oefenen, trainen, uitoefenen

Voorbeeld:

It's a good theory, but it won't work in practice.
Het is een goede theorie, maar het zal in de praktijk niet werken.

activity

/ækˈtɪv.ə.t̬i/

(noun) activiteit, bedrijvigheid, bezigheid

Voorbeeld:

There was a lot of activity in the kitchen.
Er was veel activiteit in de keuken.

problem

/ˈprɑː.bləm/

(noun) probleem, kwestie, moeilijkheid

Voorbeeld:

We have a serious problem to solve.
We hebben een serieus probleem op te lossen.

solve

/sɑːlv/

(verb) oplossen

Voorbeeld:

We need to solve this problem quickly.
We moeten dit probleem snel oplossen.

grade

/ɡreɪd/

(noun) kwaliteit, graad, niveau;

(verb) sorteren, indelen, beoordelen

Voorbeeld:

This is a high grade olive oil.
Dit is een olijfolie van hoge kwaliteit.

project

/ˈprɑː.dʒekt/

(noun) project, plan;

(verb) projecteren, voorspellen, werpen

Voorbeeld:

The team is working on a new software project.
Het team werkt aan een nieuw softwareproject.

research

/ˈriː.sɝːtʃ/

(noun) onderzoek, studie;

(verb) onderzoeken, bestuderen

Voorbeeld:

She is conducting research on climate change.
Zij doet onderzoek naar klimaatverandering.

summary

/ˈsʌm.ɚ.i/

(noun) samenvatting, resumé

Voorbeeld:

Please provide a summary of the meeting.
Gelieve een samenvatting van de vergadering te geven.

article

/ˈɑːr.t̬ɪ.kəl/

(noun) artikel, voorwerp, stuk;

(article) lidwoord

Voorbeeld:

She wrote an interesting article about climate change.
Ze schreef een interessant artikel over klimaatverandering.

page

/peɪdʒ/

(noun) pagina, blad, page;

(verb) oproepen, piepen

Voorbeeld:

Please turn to page 25.
Ga naar pagina 25.

whiteboard

/ˈwaɪt.bɔːrd/

(noun) whiteboard

Voorbeeld:

The teacher wrote the lesson plan on the whiteboard.
De leraar schreef het lesplan op het whiteboard.

cafeteria

/ˌkæf.əˈtɪr.i.ə/

(noun) kantine, cafetaria

Voorbeeld:

We usually eat lunch in the school cafeteria.
We lunchen meestal in de schoolkantine.

list

/lɪst/

(noun) lijst;

(verb) lijsten, opsommen

Voorbeeld:

Make a shopping list before you go to the store.
Maak een boodschappenlijst voordat je naar de winkel gaat.

line

/laɪn/

(noun) lijn, rij, wachtrij;

(verb) in de rij staan, bekleden, voeren

Voorbeeld:

Draw a straight line on the paper.
Trek een rechte lijn op het papier.

note

/noʊt/

(noun) aantekening, notitie, briefje;

(verb) opmerken, noteren, opschrijven

Voorbeeld:

I made a note of her address.
Ik maakte een aantekening van haar adres.

pass

/pæs/

(verb) passeren, voorbijgaan, slagen;

(noun) voldoende, geslaagd, pas

Voorbeeld:

A car passed us on the highway.
Een auto passeerde ons op de snelweg.

fail

/feɪl/

(verb) falen, mislukken, verzuimen;

(noun) mislukking, falen

Voorbeeld:

He tried his best, but he still failed the exam.
Hij deed zijn best, maar hij faalde toch voor het examen.

present

/ˈprez.ənt/

(noun) cadeau, geschenk, heden;

(adjective) aanwezig, huidig;

(verb) presenteren, aanbieden, geven

Voorbeeld:

She received a beautiful present for her birthday.
Ze kreeg een mooi cadeau voor haar verjaardag.

absent

/ˈæb.sənt/

(adjective) afwezig, ontbrekend, vrij van;

(verb) afwezig zijn, wegblijven

Voorbeeld:

She was absent from work for a week.
Ze was een week afwezig van haar werk.

junior

/ˈdʒuː.njɚ/

(noun) junior, jongere, derdejaars student;

(adjective) junior, jongere

Voorbeeld:

She was promoted from junior associate to senior manager.
Ze werd gepromoveerd van junior medewerker naar senior manager.

focus

/ˈfoʊ.kəs/

(noun) focus, aandachtspunt, scherpte;

(verb) focussen, concentreren, scherpstellen

Voorbeeld:

The focus of the meeting was on budget cuts.
De focus van de vergadering lag op bezuinigingen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland