Vocabulaireverzameling A2 - School in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - School' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) koers, richting, loop;
(verb) stromen, vloeien
Voorbeeld:
(noun) les, onderwijs, leerstuk
Voorbeeld:
(noun) onderwerp, thema, vak;
(verb) onderwerpen, blootstellen;
(adjective) onderhevig aan, afhankelijk van
Voorbeeld:
(noun) niveau, peil, vlak;
(adjective) vlak, waterpas;
(verb) egaliseren, vlak maken
Voorbeeld:
(noun) semester, studieperiode
Voorbeeld:
(adjective) belangrijk, groot, ernstig;
(noun) majoor, hoofdvak, studierichting;
(verb) specialiseren in, hoofdvak hebben in
Voorbeeld:
(noun) klasgenoot
Voorbeeld:
(noun) partner, vennoot, levensgezel;
(verb) partneren, samenwerken
Voorbeeld:
(noun) woordenboek
Voorbeeld:
(noun) examen, toets
Voorbeeld:
(noun) test, proef, toets;
(verb) testen, uitproberen, op de proef stellen
Voorbeeld:
(noun) praktijk, toepassing, gewoonte;
(verb) oefenen, trainen, uitoefenen
Voorbeeld:
(noun) activiteit, bedrijvigheid, bezigheid
Voorbeeld:
(noun) probleem, kwestie, moeilijkheid
Voorbeeld:
(verb) oplossen
Voorbeeld:
(noun) kwaliteit, graad, niveau;
(verb) sorteren, indelen, beoordelen
Voorbeeld:
(noun) project, plan;
(verb) projecteren, voorspellen, werpen
Voorbeeld:
(noun) onderzoek, studie;
(verb) onderzoeken, bestuderen
Voorbeeld:
(noun) samenvatting, resumé
Voorbeeld:
(noun) artikel, voorwerp, stuk;
(article) lidwoord
Voorbeeld:
(noun) pagina, blad, page;
(verb) oproepen, piepen
Voorbeeld:
(noun) whiteboard
Voorbeeld:
(noun) kantine, cafetaria
Voorbeeld:
(noun) lijst;
(verb) lijsten, opsommen
Voorbeeld:
(noun) lijn, rij, wachtrij;
(verb) in de rij staan, bekleden, voeren
Voorbeeld:
(noun) aantekening, notitie, briefje;
(verb) opmerken, noteren, opschrijven
Voorbeeld:
(verb) passeren, voorbijgaan, slagen;
(noun) voldoende, geslaagd, pas
Voorbeeld:
(verb) falen, mislukken, verzuimen;
(noun) mislukking, falen
Voorbeeld:
(noun) cadeau, geschenk, heden;
(adjective) aanwezig, huidig;
(verb) presenteren, aanbieden, geven
Voorbeeld:
(adjective) afwezig, ontbrekend, vrij van;
(verb) afwezig zijn, wegblijven
Voorbeeld:
(noun) junior, jongere, derdejaars student;
(adjective) junior, jongere
Voorbeeld:
(noun) focus, aandachtspunt, scherpte;
(verb) focussen, concentreren, scherpstellen
Voorbeeld: