Vocabulaireverzameling Grammatica 1 in Taal: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Grammatica 1' in 'Taal' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) afkorting
Voorbeeld:
(noun) abstract zelfstandig naamwoord
Voorbeeld:
(noun) actieve vorm, actieve stem
Voorbeeld:
(adjective) actief, energiek, van kracht
Voorbeeld:
(adjective) adjectivisch, bijvoeglijk
Voorbeeld:
(noun) bijvoeglijk naamwoord
Voorbeeld:
(noun) bijwoord
Voorbeeld:
(adjective) bijwoordelijk;
(noun) bijwoordelijke bepaling, bijwoord
Voorbeeld:
(adjective) bevestigend, instemmend, positief;
(noun) ja, bevestiging
Voorbeeld:
(verb) bevestigen, aanbrengen, vastmaken;
(noun) affix, voorvoegsel, achtervoegsel
Voorbeeld:
(verb) instemmen, het eens zijn, overeenkomen
Voorbeeld:
(noun) overeenkomst, akkoord, instemming
Voorbeeld:
(noun) artikel, voorwerp, stuk;
(article) lidwoord
Voorbeeld:
(adjective) attributief
Voorbeeld:
(adjective) hulp, aanvullend;
(noun) hulp, assistent;
(auxiliary verb) hulpwerkwoord
Voorbeeld:
(noun) kardinaal, rode kardinaal;
(adjective) fundamenteel, essentieel, hoofd-
Voorbeeld:
(noun) zin, deelzin, clausule
Voorbeeld:
(noun) zelfstandig naamwoord, soortnaam
Voorbeeld:
(adjective) vergelijkend, relatief, vergrotende trap;
(noun) vergrotende trap
Voorbeeld:
(noun) aanvulling, complement, volledig aantal;
(verb) aanvullen, completeren
Voorbeeld:
(noun) verbinding, mengsel, complex;
(verb) verergeren, versterken, samenstellen;
(adjective) samengesteld, complex
Voorbeeld:
(noun) samengesteld zelfstandig naamwoord
Voorbeeld:
(adjective) voorwaardelijk, conditioneel;
(noun) voorwaardelijke zin, voorwaardelijke conjunctie
Voorbeeld:
(verb) vervoegen, verenigen, samenvoegen;
(adjective) geconjugeerd;
(noun) geconjugeerd
Voorbeeld:
(noun) voegwoord, samenstand, samenloop
Voorbeeld:
(adjective) continu, ononderbroken
Voorbeeld:
(noun) samentrekking, krimp, verkorting
Voorbeeld:
(adjective) telbaar
Voorbeeld:
(noun) telbaar zelfstandig naamwoord
Voorbeeld:
(noun) datief;
(adjective) datief
Voorbeeld:
(verb) weigeren, afwijzen, dalen;
(noun) daling, afname, neergang
Voorbeeld:
(adjective) bepalend, definiërend
Voorbeeld:
(noun) bepaald lidwoord
Voorbeeld:
(noun) afhankelijke zin, bijzin
Voorbeeld:
(noun) afgeleide, derivaat, derivaten;
(adjective) afgeleid, derivatief
Voorbeeld:
(noun) bepaler
Voorbeeld:
(noun) direct object
Voorbeeld:
(noun) directe rede, directe spraak
Voorbeeld:
(noun) dubbele ontkenning
Voorbeeld: