Vocabulaireverzameling Kleding beschrijven in Kleding en Mode: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Kleding beschrijven' in 'Kleding en Mode' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) goed zichtbaar, hoge zichtbaarheid
Voorbeeld:
(adjective) duikend, stortend, diep;
(noun) daling, val;
(verb) steken, duwen
Voorbeeld:
(adjective) versleten, uitgeput, moe
Voorbeeld:
(adjective) los, loszittend, vrij;
(verb) loslaten, vrijlaten
Voorbeeld:
(adjective) strak, vast, dicht;
(adverb) strak, stevig, vast
Voorbeeld:
(adjective) rugloos, zonder rugleuning
Voorbeeld:
(adjective) laag uitgesneden, diep decolleté
Voorbeeld:
(adjective) kleverig, aanhankelijk;
(noun) vastklampen, aanhangen
Voorbeeld:
(adjective) versleten, voddig, rafelig
Voorbeeld:
(adjective) onthullend, onthullende, doorschijnend
Voorbeeld:
(adjective) schaars, karig, onvoldoende
Voorbeeld:
(adjective) doorzichtig, transparant
Voorbeeld:
(adjective) karig, schaars, magertjes
Voorbeeld:
(adjective) confectie, ready-to-wear
Voorbeeld:
(noun) mini, minirok;
(adjective) mini, kleine versie;
(trademark) Mini (auto)
Voorbeeld:
(noun) MIDI;
(adjective) midi
Voorbeeld:
(noun) maxi, maxi-jurk, maxi-rok;
(adjective) maxi, lang, tot aan de enkels
Voorbeeld:
(adjective) gebreid;
(past participle) breide, gebreid, fronsde
Voorbeeld:
(adjective) A-lijn
Voorbeeld:
(adjective) kort, bondig, beknopt;
(noun) briefing, instructie, slip;
(verb) briefen, informeren
Voorbeeld:
(adjective) uitlopend, uitwaaierend;
(past participle) opvlamde, uitwaaierde
Voorbeeld:
(adjective) mager, dun, skinny;
(noun) nieuws, details, informatie
Voorbeeld:
(adjective) waterdicht;
(verb) waterdicht maken
Voorbeeld:
(adjective) strak, huidstrak
Voorbeeld:
(adjective) mouwloos
Voorbeeld:
(adjective) slinks, gracieus, soepel
Voorbeeld:
(adjective) strapless, schouderbandloos
Voorbeeld:
(noun) V-hals;
(adjective) V-hals
Voorbeeld:
(noun) ronde hals, crew neck
Voorbeeld:
(adjective) klein, onbelangrijk;
(adverb) klein, fijn
Voorbeeld:
(noun) medium, middel, helderziende;
(adjective) medium, gemiddeld
Voorbeeld:
(adjective) groot, omvangrijk, breed;
(adverb) grootschalig, op grote schaal
Voorbeeld:
(adjective) één maat voor iedereen, universele maat, universeel
Voorbeeld:
(adjective) loszittend, ruim
Voorbeeld:
(adjective) nauwsluitend, strak
Voorbeeld:
(noun) eendelig, badpak, rompertje;
(adjective) uit één stuk, eendelig
Voorbeeld:
(adjective) tweedelig;
(noun) tweedelig pak, bikini
Voorbeeld:
(adjective) strak, nauwsluitend
Voorbeeld:
(adjective) uitgekleed, naakt;
(verb) uitgekleed, ontkleed
Voorbeeld:
(adjective) nauwsluitend, figuurvolgend
Voorbeeld:
(adjective) kaal, bloot, minimaal;
(verb) ontbloten, blootleggen
Voorbeeld:
(adjective) voorzien van franjes, omzoomd
Voorbeeld:
(adjective) vast, massief, solide;
(noun) vaste stof, vaste delen;
(adverb) effen, stevig
Voorbeeld:
(adjective) sjofel, vervallen, armoedig
Voorbeeld:
(adjective) met mouwen
Voorbeeld:
(adjective) met lange mouwen, langmouwig
Voorbeeld:
(adjective) lang, hoog, overdreven
Voorbeeld:
(adjective) doorknoop, met knopen over de hele lengte
Voorbeeld:
(adjective) delicaat, fragiel, breekbaar
Voorbeeld: