Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 29 - Weersverwachting: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 29 - Weersverwachting' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) behouden, conserveren, beschermen;
(noun) jam, vruchtenjam
Voorbeeld:
(noun) kans, mogelijkheid, gelegenheid;
(verb) toevallig gebeuren, gebeuren bij toeval, riskeren
Voorbeeld:
(noun) voorspelling, prognose;
(verb) voorspellen, prognostiseren
Voorbeeld:
(noun) afval, resten, verspilling;
(verb) verspillen, verkwisten, verkwijnen;
(adjective) woest, braakliggend
Voorbeeld:
(verb) wegdoen, verwijderen, stemmen tot
Voorbeeld:
(noun) recycling, hergebruik
Voorbeeld:
(adjective) duidelijk, helder, doorzichtig;
(verb) ruimen, vrijmaken, klaren;
(adverb) helemaal, volledig
Voorbeeld:
(noun) schade, beschadiging, schadevergoeding;
(verb) beschadigen, schaden
Voorbeeld:
(adjective) significant, belangrijk, aanzienlijk
Voorbeeld:
(noun) oplossing
Voorbeeld:
(verb) gebeuren, plaatsvinden, opkomen
Voorbeeld:
(adjective) ideaal, perfect, imaginair;
(noun) ideaal, voorbeeld
Voorbeeld:
(verb) behouden, bewaren, conserveren;
(noun) jam, confituur, conserven
Voorbeeld:
(noun) hulp, steun, bijstand;
(verb) helpen, ondersteunen, bijstaan
Voorbeeld:
(adjective) buitensporig, overmatig, te veel
Voorbeeld:
(adverb) intensief, grondig
Voorbeeld:
(verb) variëren, verschillen, aanpassen
Voorbeeld:
(adjective) aangenaam, bevredigend
Voorbeeld:
(noun) teken, merk, cijfer;
(verb) markeren, vlekken, aanduiden
Voorbeeld:
(adjective) ontoegankelijk, onbereikbaar, onbegrijpelijk
Voorbeeld:
(verb) storen, verstoren, verontrusten
Voorbeeld:
(noun) vervuilende stof, verontreinigende stof
Voorbeeld:
(noun) uitstoot, emissie, uitgave
Voorbeeld:
(adjective) dicht, compact, dom
Voorbeeld:
(adjective) milieu-, ecologisch, omgevings-
Voorbeeld:
(adjective) consistent, consequent, gelijkmatig
Voorbeeld:
(noun) lek, lekkage, openbaring;
(verb) lekken, doorsijpelen, onthullen
Voorbeeld:
(noun) organisatie, instelling, ordening
Voorbeeld:
(adverb) voortdurend, herhaaldelijk, onophoudelijk
Voorbeeld:
(verb) verontreinigen, besmetten
Voorbeeld:
(noun) ramp, catastrofe, mislukking
Voorbeeld:
(verb) ontslaan, vrijlaten, lozen;
(noun) ontslag, vrijlating, lozing
Voorbeeld:
(noun) middel, hulpbron, vindingrijkheid;
(verb) voorzien van middelen, uitrusten
Voorbeeld:
(adjective) prominent, opvallend, belangrijk
Voorbeeld:
(verb) uitputten, verbruiken, uitmergelen
Voorbeeld:
(verb) zuiveren, reinigen
Voorbeeld:
(adjective) bedreigd
Voorbeeld:
(noun) uitsterven, extinctie, doven
Voorbeeld:
(noun) droogte, tekort, gebrek
Voorbeeld:
(verb) toebrengen, veroorzaken
Voorbeeld:
(noun) migratie, trek, volksverhuizing
Voorbeeld:
(noun) ecologie, milieubeweging
Voorbeeld:
(noun) habitat, leefgebied
Voorbeeld: