Vocabulaireverzameling 800 punten in Dag 25 - Autorijden: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling '800 punten' in 'Dag 25 - Autorijden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(phrase) aan de overkant van de straat, over de straat
Voorbeeld:
(idiom) om de hoek, aanstaande, in de directe omgeving
Voorbeeld:
(phrase) gesloten voor verkeer
Voorbeeld:
(idiom) vaststaan in het verkeer, opgehouden worden door het verkeer
Voorbeeld:
(phrase) omzoomd zijn met, bezet zijn met, gevoerd zijn met
Voorbeeld:
(verb) uitzenden, uitstralen, verkondigen;
(noun) uitzending, programma
Voorbeeld:
(noun) rondweg, bypass, omleiding;
(verb) omzeilen, omlopen
Voorbeeld:
(verb) carpool, rijden in een carpool;
(noun) carpool, rijden in een carpool
Voorbeeld:
(idiom) tot stilstand komen, stagneren
Voorbeeld:
(noun) forens
Voorbeeld:
(phrase) de straat oversteken
Voorbeeld:
(phrase) verkeer regelen, verkeer leiden, verkeer sturen
Voorbeeld:
(noun) rijbewijs
Voorbeeld:
(noun) oprit
Voorbeeld:
(noun) routebeschrijving
Voorbeeld:
(noun) voetensteun, voetsteun
Voorbeeld:
(idiom) een lift krijgen
Voorbeeld:
(idiom) opkrassen, oprotten, verdwalen
Voorbeeld:
(phrasal verb) bereiken, aankomen bij, de kans krijgen om
Voorbeeld:
(idiom) iemand een lift geven, iemand wegbrengen
Voorbeeld:
(idiom) een lekke band hebben
Voorbeeld:
(noun) koplamp
Voorbeeld:
(phrase) aanleggen aan de kade, meren aan het dok
Voorbeeld:
(noun) weg, pad, rijstrook
Voorbeeld:
(phrase) over de reling leunen
Voorbeeld:
(noun) kenteken, nummerplaat
Voorbeeld:
(phrase) de sleutels in de auto laten liggen, de sleutels in de auto opsluiten
Voorbeeld:
(idiom) stoppen, een tussenstop maken
Voorbeeld:
(phrase) overboeking maken, overstappen
Voorbeeld:
(verb) marcheren, lopen, gaan;
(noun) mars, optocht, maart
Voorbeeld:
(noun) kilometers, brandstofverbruik, voordeel
Voorbeeld:
(noun) navigatie, routebepaling, scheepvaart
Voorbeeld:
(noun) enkele reis, enkel ticket
Voorbeeld:
(noun) parkeergarage
Voorbeeld:
(noun) pad, weg
Voorbeeld:
(idiom) zich een weg banen, zich erdoorheen wurmen
Voorbeeld:
(phrasal verb) wegrijden
Voorbeeld:
(noun) verkeersbord, wegwijzer
Voorbeeld:
(noun) wegwerkzaamheden
Voorbeeld:
(noun) kortere weg, sluipweg, snelkoppeling;
(verb) afsnijden, een kortere weg nemen
Voorbeeld:
(phrase) stoppen bij een stoplicht
Voorbeeld:
(phrase) tanken, stoppen voor brandstof
Voorbeeld:
(noun) opbergvak, bagageruimte
Voorbeeld:
(noun) straatnaambord, verkeersbord
Voorbeeld:
(noun) tolprijs, toltarief
Voorbeeld:
(noun) file, verkeersopstopping
Voorbeeld:
(phrasal verb) stap voor stap uitleggen, doorlopen;
(noun) uitleg, rondgang, walkthrough
Voorbeeld:
(noun) loopafstand
Voorbeeld:
(noun) loopbrug, voetpad
Voorbeeld:
(noun) voorruit
Voorbeeld:
(noun) schepping, creatie, totstandbrenging
Voorbeeld:
(verb) motiveren, aansporen
Voorbeeld:
(adjective) normaal, gebruikelijk;
(noun) normaal, standaard
Voorbeeld:
(adverb) nog steeds, nog, toch;
(adjective) stil, onbeweeglijk;
(noun) stilstaand beeld, foto;
(verb) kalmeren, tot rust brengen
Voorbeeld:
(noun) verkeerslicht, stoplicht
Voorbeeld:
(adjective) waardevol, kostbaar, nuttig
Voorbeeld:
(noun) vrijwilliger;
(verb) vrijwillig aanbieden, zich aanmelden
Voorbeeld:
(phrase) op volle snelheid, op volle toeren
Voorbeeld:
(phrase) A van B verwijderen, A van B ruimen
Voorbeeld:
(verb) botsen, kollideren, conflicteren
Voorbeeld:
(adjective) verkeersopstopping, overvol, verstopt
Voorbeeld:
(noun) ontmoeting, confrontatie;
(verb) ontmoeten, tegenkomen
Voorbeeld:
(phrasal verb) verder gaan, vooruitgaan, naar voren bewegen
Voorbeeld:
(noun) directeur, schoolhoofd, hoofdsom;
(adjective) voornaamste, belangrijkste, hoofd-
Voorbeeld:
(noun) openbaar vervoer
Voorbeeld:
(noun) staanplaatsen, staanruimte
Voorbeeld:
(noun) stuur, stuurwiel
Voorbeeld:
(noun) verkeersopstopping, file
Voorbeeld: