Avatar of Vocabulary Set Basis 1

Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 23 - Rollenspel: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 23 - Rollenspel' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

host

/hoʊst/

(noun) gastheer, gastvrouw, menigte;

(verb) hosten, organiseren, onderbrengen

Voorbeeld:

Our host greeted us warmly at the door.
Onze gastheer begroette ons hartelijk bij de deur.

annual

/ˈæn.ju.əl/

(adjective) jaarlijks, eenjarig;

(noun) eenjarige plant, jaarboek, jaarlijkse publicatie

Voorbeeld:

The company holds an annual meeting in December.
Het bedrijf houdt in december een jaarlijkse vergadering.

purpose

/ˈpɝː.pəs/

(noun) doel, streven, vastberadenheid;

(verb) van plan zijn, beogen

Voorbeeld:

The purpose of the meeting is to discuss the new project.
Het doel van de vergadering is om het nieuwe project te bespreken.

enroll

/ɪnˈroʊl/

(verb) inschrijven, aanmelden, opnemen

Voorbeeld:

She decided to enroll in a master's program.
Ze besloot zich in te schrijven voor een masterprogramma.

lecture

/ˈlek.tʃɚ/

(noun) lezing, college, preek;

(verb) lesgeven, doceren, de les lezen

Voorbeeld:

The professor gave a fascinating lecture on ancient history.
De professor gaf een fascinerende lezing over oude geschiedenis.

participant

/pɑːrˈtɪs.ə.pənt/

(noun) deelnemer, participant

Voorbeeld:

Each participant received a certificate.
Elke deelnemer ontving een certificaat.

attend

/əˈtend/

(verb) bijwonen, volgen, zorgen voor

Voorbeeld:

She decided to attend the conference.
Ze besloot de conferentie te bijwonen.

encourage

/ɪnˈkɝː.ɪdʒ/

(verb) aanmoedigen, stimuleren, bevorderen

Voorbeeld:

We encourage students to read widely.
Wij moedigen studenten aan om veel te lezen.

leave

/liːv/

(verb) verlaten, vertrekken, laten;

(noun) verlof, vrij, toestemming

Voorbeeld:

She decided to leave the party early.
Ze besloot het feest vroeg te verlaten.

recommendation

/ˌrek.ə.menˈdeɪ.ʃən/

(noun) aanbeveling, advies, referentie

Voorbeeld:

The committee made several recommendations for policy changes.
De commissie deed verschillende aanbevelingen voor beleidswijzigingen.

conference

/ˈkɑːn.fɚ.əns/

(noun) conferentie, vergadering;

(verb) vergaderen, confereren

Voorbeeld:

The annual sales conference will be held next month.
De jaarlijkse verkoopconferentie wordt volgende maand gehouden.

schedule

/ˈskedʒ.uːl/

(noun) schema, rooster, tijdschema;

(verb) plannen, inplannen

Voorbeeld:

I need to check my schedule for next week.
Ik moet mijn schema voor volgende week controleren.

include

/ɪnˈkluːd/

(verb) omvatten, bevatten, opnemen

Voorbeeld:

The price includes tax and service charge.
De prijs is inclusief belasting en servicekosten.

result

/rɪˈzʌlt/

(noun) resultaat, gevolg, uitslag;

(verb) resulteren in, voortvloeien uit

Voorbeeld:

The positive result of the experiment was celebrated.
Het positieve resultaat van het experiment werd gevierd.

register

/ˈredʒ.ə.stɚ/

(verb) registreren, inschrijven, aangeven;

(noun) register, lijst, kassa

Voorbeeld:

You need to register your car with the DMV.
Je moet je auto registreren bij de RDW.

require

/rɪˈkwaɪr/

(verb) vereisen, nodig hebben, verplichten

Voorbeeld:

The recipe requires three eggs.
Het recept vereist drie eieren.

grateful

/ˈɡreɪt.fəl/

(adjective) dankbaar

Voorbeeld:

I am so grateful for your help.
Ik ben zo dankbaar voor je hulp.

overtime

/ˈoʊ.vɚ.taɪm/

(noun) overwerk, overtijd, verlenging;

(adverb) over, overtijd

Voorbeeld:

He worked ten hours of overtime last week.
Hij werkte vorige week tien uur overwerk.

responsibility

/rɪˌspɑːn.səˈbɪl.ə.t̬i/

(noun) verantwoordelijkheid, plicht, taken

Voorbeeld:

It's your responsibility to ensure the project is completed on time.
Het is jouw verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het project op tijd wordt voltooid.

assent

/əˈsent/

(noun) instemming, toestemming;

(verb) instemmen, toestemmen

Voorbeeld:

He gave his assent to the proposal.
Hij gaf zijn instemming met het voorstel.

regard

/rɪˈɡɑːrd/

(verb) beschouwen, aanzien, aankijken;

(noun) achting, aandacht, respect

Voorbeeld:

She regarded him as a friend.
Ze beschouwde hem als een vriend.

tentative

/ˈten.t̬ə.t̬ɪv/

(adjective) voorlopig, onzeker, voorzichtig

Voorbeeld:

We have a tentative plan for the weekend, but it might change.
We hebben een voorlopig plan voor het weekend, maar het kan nog veranderen.

welcome

/ˈwel.kəm/

(verb) verwelkomen, begroeten;

(exclamation) welkom;

(adjective) welkom, aangenaam;

(noun) welkom, ontvangst

Voorbeeld:

We welcomed the new neighbors to the community.
We verwelkomden de nieuwe buren in de gemeenschap.

function

/ˈfʌŋk.ʃən/

(noun) functie, doel, bijeenkomst;

(verb) functioneren, werken

Voorbeeld:

The main function of the heart is to pump blood.
De belangrijkste functie van het hart is het pompen van bloed.

commence

/kəˈmens/

(verb) beginnen, aanvangen

Voorbeeld:

The ceremony will commence at 10 AM.
De ceremonie zal om 10 uur beginnen.

objective

/əbˈdʒek.tɪv/

(noun) doel, objectief;

(adjective) objectief, onpartijdig

Voorbeeld:

Our main objective is to increase sales by 20%.
Ons belangrijkste doel is om de verkoop met 20% te verhogen.

excited

/ɪkˈsaɪ.t̬ɪd/

(adjective) enthousiast, opgewonden

Voorbeeld:

The children were very excited about their trip to the zoo.
De kinderen waren erg enthousiast over hun uitstapje naar de dierentuin.

reimbursement

/ˌriː.ɪmˈbɝːs.mənt/

(noun) vergoeding, terugbetaling

Voorbeeld:

Please submit your receipts for reimbursement.
Gelieve uw bonnen in te dienen voor vergoeding.

treatment

/ˈtriːt.mənt/

(noun) behandeling, omgang, therapie

Voorbeeld:

She received excellent treatment from the hospital staff.
Ze kreeg een uitstekende behandeling van het ziekenhuispersoneel.

honor

/ˈɑː.nɚ/

(noun) eer, respect, integriteit;

(verb) eren, respecteren

Voorbeeld:

He served his country with honor.
Hij diende zijn land met eer.

emphasize

/ˈem.fə.saɪz/

(verb) benadrukken, accentueren

Voorbeeld:

The report emphasized the need for better education.
Het rapport benadrukte de noodzaak van beter onderwijs.

entry

/ˈen.tri/

(noun) toegang, ingang, vermelding

Voorbeeld:

The police forced an entry into the building.
De politie forceerde een toegang tot het gebouw.

bonus

/ˈboʊ.nəs/

(noun) bonus, premie, extraatje

Voorbeeld:

The employees received a generous bonus at the end of the year.
De werknemers ontvingen een royale bonus aan het einde van het jaar.

salary

/ˈsæl.ɚ.i/

(noun) salaris, loon

Voorbeeld:

His annual salary is $60,000.
Zijn jaarsalaris is $60.000.

earn

/ɝːn/

(verb) verdienen

Voorbeeld:

She works hard to earn a living.
Ze werkt hard om de kost te verdienen.

arise

/əˈraɪz/

(verb) ontstaan, opkomen, opstaan

Voorbeeld:

New problems arose during the construction.
Nieuwe problemen ontstonden tijdens de bouw.

labor

/ˈleɪ.bɚ/

(noun) arbeid, werk, bevalling;

(verb) zwoegen, hard werken

Voorbeeld:

The construction project required a lot of manual labor.
Het bouwproject vereiste veel handmatige arbeid.

union

/ˈjuː.njən/

(noun) unie, verbond, vakbond

Voorbeeld:

The states formed a union to strengthen their defense.
De staten vormden een unie om hun verdediging te versterken.

existing

/ɪɡˈzɪs.tɪŋ/

(adjective) bestaand, huidig

Voorbeeld:

We need to improve our existing infrastructure.
We moeten onze bestaande infrastructuur verbeteren.

exploit

/ɪkˈsplɔɪt/

(verb) exploiteren, benutten, uitbuiten;

(noun) daad, prestatie

Voorbeeld:

The company needs to exploit new markets.
Het bedrijf moet nieuwe markten exploiteren.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland