Vocabulaireverzameling 800 punten in Dag 8 - Marketingstrategie (2): Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling '800 punten' in 'Dag 8 - Marketingstrategie (2)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) reclamecampagne
Voorbeeld:
(idiom) erop gebrand zijn, graag willen
Voorbeeld:
(phrasal verb) veroorzaken, teweegbrengen, kom maar op
Voorbeeld:
(verb) achtervolgen, najagen, streven naar;
(noun) achtervolging, jacht
Voorbeeld:
(phrasal verb) meegaan, meekomen, vorderen
Voorbeeld:
(phrasal verb) loskomen, losraken
Voorbeeld:
(adjective) voorwaardelijk, conditioneel;
(noun) voorwaardelijke zin, voorwaardelijke conjunctie
Voorbeeld:
(noun) klantenenquête, klantenonderzoek
Voorbeeld:
(phrasal verb) dateren uit, teruggaan tot
Voorbeeld:
(verb) afbeelden, uitbeelden, voorstellen
Voorbeeld:
(noun) vernietiging, verwoesting, ruïne
Voorbeeld:
(phrasal verb) aangaan, beginnen met, sluiten
Voorbeeld:
(phrasal verb) teruggaan naar, terugkeren naar, terugbellen
Voorbeeld:
(adjective) geleidelijk, stapsgewijs
Voorbeeld:
(adjective) inactief, niet actief, zittend
Voorbeeld:
(adverb) in de tussentijd, ondertussen
Voorbeeld:
(noun) invalide, zieke;
(adjective) ongeldig, niet geldig, onjuist
Voorbeeld:
(phrasal verb) doornemen, overzien, negeren
Voorbeeld:
(idiom) beslissen, een besluit nemen
Voorbeeld:
(adjective) betekenisvol, zinvol, belangrijk
Voorbeeld:
(idiom) haast maken met, prioriteit geven aan
Voorbeeld:
(idiom) onder druk zetten, belasten
Voorbeeld:
(phrasal verb) verdragen, tolereren
Voorbeeld:
(phrasal verb) reiken naar, grijpen naar, streven naar
Voorbeeld:
(idiom) voor blijven, een voorsprong behouden
Voorbeeld:
(conjunction) evenals, alsmede
Voorbeeld:
(adjective) ruim, voldoende, overvloedig
Voorbeeld:
(phrase) een reeks van, een scala aan, een verscheidenheid aan
Voorbeeld:
(phrase) een cliënt helpen, een cliënt bedienen
Voorbeeld:
(verb) confronteren, onder ogen zien, voorleggen
Voorbeeld:
(noun) context, achtergrond
Voorbeeld:
(noun) wanhoop;
(verb) wanhopen
Voorbeeld:
(adjective) losgekoppeld, niet verbonden, onsamenhangend;
(past tense) verbrak, sloot af
Voorbeeld:
(adjective) ontevreden, onvoldaan
Voorbeeld:
(adjective) gedreven, ambitieus;
(past participle) gereden, gedreven
Voorbeeld:
(adjective) dynamisch, veranderlijk;
(noun) dynamiek, drijvende kracht
Voorbeeld:
(phrasal verb) met spanning afwachten, vol ongeduld wachten
Voorbeeld:
(adjective) enorm, reusachtig, gigantisch
Voorbeeld:
(phrasal verb) achterop raken, achterblijven, achterlopen met betalingen
Voorbeeld:
(adjective) haalbaar, uitvoerbaar
Voorbeeld:
(noun) doorstuuradres, nieuw adres
Voorbeeld:
(phrasal verb) te boven komen, overwinnen, overbrengen
Voorbeeld:
(verb) impresseren, indruk maken op, afdrukken
Voorbeeld:
(adjective) ontoereikend, onvoldoende, gebrekkig
Voorbeeld:
(phrase) tijdig, op tijd, spoedig
Voorbeeld:
(adjective) onvervangbaar
Voorbeeld:
(noun) beperking, restrictie, zwakte
Voorbeeld:
(adjective) massief, enorm, aanzienlijk
Voorbeeld:
(phrasal verb) aanwijzen, wijzen op, opmerken
Voorbeeld:
(noun) lovende recensie, enthousiaste beoordeling
Voorbeeld:
(adverb) herhaaldelijk, steeds weer
Voorbeeld:
(adverb) strategisch
Voorbeeld:
(verb) onthullen, ontsluieren, bekendmaken
Voorbeeld:
(phrase) veel, een grote hoeveelheid, aanzienlijk
Voorbeeld:
(phrase) gevoelig zijn voor, rekening houden met, vatbaar zijn voor
Voorbeeld:
(phrase) de moeite nemen om te doen, zich inspannen om te doen
Voorbeeld:
(phrasal verb) afgelasten, annuleren, terugroepen
Voorbeeld:
(phrase) marktonderzoek uitvoeren, marktstudies verrichten
Voorbeeld:
(phrasal verb) tegenkomen, vinden, overkomen
Voorbeeld:
(phrase) erop toeleggen, zien te doen, organiseren
Voorbeeld:
(adjective) opzettelijk, bewust, bedachtzaam;
(verb) beraadslagen, overwegen
Voorbeeld:
(noun) gereduceerd tarief, kortingstarief
Voorbeeld:
(idiom) de neiging hebben om, geneigd zijn te
Voorbeeld:
(phrase) de gelegenheid hebben om te doen, de kans krijgen om te doen
Voorbeeld:
(idiom) iets te maken hebben met, verbonden zijn met
Voorbeeld:
(phrase) op zijn beurt, achtereenvolgens, als gevolg daarvan
Voorbeeld:
(idiom) geen uitzondering maken
Voorbeeld:
(verb) televiseren, uitzenden
Voorbeeld: