Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 7 - Marketingstrategie (1): Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 7 - Marketingstrategie (1)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) onderzoek, enquête, overzicht;
(verb) overzien, inspecteren, bekijken
Voorbeeld:
(noun) analyse, ontleding
Voorbeeld:
(noun) respondent, enquêteerde, verweerder
Voorbeeld:
(noun) monopolie, Monopoly, bordspel Monopoly
Voorbeeld:
(noun) concurrentie, wedijver, wedstrijd
Voorbeeld:
(adverb) consistent, altijd, op dezelfde manier
Voorbeeld:
(noun) eis, vraag, behoefte;
(verb) eisen, verlangen, vereisen
Voorbeeld:
(idiom) zijn uiterste best doen, alles in het werk stellen
Voorbeeld:
(verb) uitbreiden, uitzetten, uitweiden
Voorbeeld:
(adjective) gevorderd, geavanceerd, hoger niveau
Voorbeeld:
(verb) uitstellen, opschorten
Voorbeeld:
(adjective) aanvullend, extra
Voorbeeld:
(verb) waarderen, erkennen, inzien
Voorbeeld:
(noun) demonstratie, uitleg, presentatie
Voorbeeld:
(verb) kopen, aanschaffen, geloven;
(noun) koop, aankoop
Voorbeeld:
(verb) onderzoeken, inspecteren, bekijken
Voorbeeld:
(adjective) effectief, doeltreffend, van kracht
Voorbeeld:
(preposition) zoals, gelijk aan, bijvoorbeeld;
(verb) leuk vinden, houden van, willen;
(conjunction) als, zoals;
(adverb) zei, was van mening;
(interjection) zoiets als, was van mening;
(noun) gelijke, soortgelijke
Voorbeeld:
(adverb) vooral, in het bijzonder, speciaal
Voorbeeld:
(adverb) nauwlettend, dichtbij, nauwkeurig
Voorbeeld:
(noun) reserve, voorraad, reservaat;
(verb) reserveren, voorbehouden, behouden;
(adjective) reserve, extra
Voorbeeld:
(verb) samenwerken, coopereren, meewerken
Voorbeeld:
(adverb) erg, zeer;
(adjective) precies, zelf
Voorbeeld:
(adjective) opeenvolgend, achtereenvolgend
Voorbeeld:
(noun) verwachting
Voorbeeld:
(verb) publiceren, bekendmaken, reclame maken voor
Voorbeeld:
(verb) optillen, verhogen, vergroten;
(noun) salarisverhoging, loonsverhoging
Voorbeeld:
(adverb) extreem, uitermate
Voorbeeld:
(verb) beïnvloeden, aantasten, aandoen
Voorbeeld:
(noun) doel, doelwit, streven;
(verb) richten op, doelwit maken van, viseren
Voorbeeld:
(noun) campagne, militaire operatie, actie;
(verb) campagne voeren, actie voeren
Voorbeeld:
(adjective) waarschijnlijk, aannemelijk
Voorbeeld:
(noun) focus, aandachtspunt, scherpte;
(verb) focussen, concentreren, scherpstellen
Voorbeeld:
(adjective) seizoensgebonden, afhankelijk van het seizoen
Voorbeeld:
(noun) inslag, botsing, impact;
(verb) beïnvloeden, raken, treffen
Voorbeeld:
(noun) vergelijking, vergelijkbaarheid, gelijkwaardigheid
Voorbeeld:
(noun) opening, gat, kloof;
(verb) gaten maken, spleet maken
Voorbeeld:
(adjective) groeiend, toenemend;
(noun) bevestiging, montage, zetting
Voorbeeld:
(adjective) reflectief, nadenkend, reflecterend
Voorbeeld: