Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 1 - Ontsnappen aan werkloosheid: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 1 - Ontsnappen aan werkloosheid' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) cv, curriculum vitae;
(verb) hervatten, doorgaan
Voorbeeld:
(noun) opening, inauguratie, gat;
(adjective) openings-, eerste
Voorbeeld:
(noun) sollicitant, kandidaat, aanvrager
Voorbeeld:
(noun) vereiste, eis, studievereiste
Voorbeeld:
(verb) ontmoeten, voldoen aan, halen;
(noun) bijeenkomst, wedstrijd
Voorbeeld:
(adjective) gekwalificeerd, bevoegd, voorwaardelijk;
(verb) kwalificeren, bevoegd maken, nuanceren
Voorbeeld:
(noun) kandidaat, examinandus
Voorbeeld:
(noun) vertrouwen, zelfvertrouwen, zelfverzekerdheid
Voorbeeld:
(adverb) zeer, erg, hoog
Voorbeeld:
(adjective) professioneel, beroepsmatig, vakkundig;
(noun) professional, vakman, expert
Voorbeeld:
(noun) sollicitatiegesprek, interview, gesprek;
(verb) interviewen, ondervragen
Voorbeeld:
(verb) aannemen, inhuren, huren;
(noun) aanwerving, huur
Voorbeeld:
(noun) training, opleiding
Voorbeeld:
(noun) verwijzing, referentie, naslagwerk;
(verb) verwijzen naar, refereren aan
Voorbeeld:
(noun) positie, plaats, ligging;
(verb) positioneren, plaatsen, opstellen
Voorbeeld:
(noun) prestatie, presteren, bereiken
Voorbeeld:
(adjective) onder de indruk, geïmponeerd;
(verb) indruk maken op, imponeren
Voorbeeld:
(adjective) uitstekend, voortreffelijk
Voorbeeld:
(adjective) verkiesbaar, in aanmerking komend, begeerlijk
Voorbeeld:
(verb) identificeren, herkennen, associëren
Voorbeeld:
(verb) associëren, verbinden, zich aansluiten bij;
(noun) partner, collega;
(adjective) geassocieerd, adjunct
Voorbeeld:
(noun) staat, conditie, voorwaarde;
(verb) conditioneren, trainen
Voorbeeld:
(noun) werk, werkgelegenheid, tewerkstelling
Voorbeeld:
(noun) gebrek, tekort;
(verb) missen, ontbreken
Voorbeeld:
(adjective) management-, bestuurlijk
Voorbeeld:
(adjective) ijverig, vlijtig, nauwgezet
Voorbeeld:
(adjective) bekend, vertrouwd, bekend met
Voorbeeld:
(noun) bekwaamheid, vaardigheid, deskundigheid
Voorbeeld:
(adjective) toekomstig, potentieel, vooruitziend
Voorbeeld:
(verb) een beroep doen op, oproep, aanspreken;
(noun) oproep, verzoek, aantrekkingskracht
Voorbeeld:
(verb) specialiseren, zich toeleggen op
Voorbeeld:
(adjective) bezorgd, angstig, onrustig
Voorbeeld:
(noun) consultant, adviseur
Voorbeeld:
(verb) recht geven op, gerechtigd zijn tot, betitelen
Voorbeeld:
(noun) mate, graad, diploma
Voorbeeld:
(noun) loonlijst, salarisadministratie, loonmassa
Voorbeeld:
(noun) rekruut, dienstplichtige, nieuwe medewerker;
(verb) rekruteren, werven, vormen
Voorbeeld:
(noun) certificering, erkenning, certificaat
Voorbeeld:
(noun) beroep, bezigheid, werk
Voorbeeld:
(noun) loon, salaris;
(verb) voeren, uitvoeren
Voorbeeld: