Avatar of Vocabulary Set Computerwereld

Vocabulaireverzameling Computerwereld in Essentiële woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Computerwereld' in 'Essentiële woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

software

/ˈsɑːft.wer/

(noun) software, programmatuur

Voorbeeld:

This computer needs new software to run the latest applications.
Deze computer heeft nieuwe software nodig om de nieuwste applicaties te draaien.

hardware

/ˈhɑːrd.wer/

(noun) gereedschap, ijzerwaren, hardware

Voorbeeld:

We need to buy some new hardware for the kitchen cabinets.
We moeten nieuw gereedschap kopen voor de keukenkastjes.

operating system

/ˈɑː.pə.reɪ.t̬ɪŋ ˌsɪs.təm/

(noun) besturingssysteem

Voorbeeld:

Windows is a popular operating system for personal computers.
Windows is een populair besturingssysteem voor personal computers.

flash drive

/ˈflæʃ draɪv/

(noun) USB-stick, flashdrive

Voorbeeld:

I saved all my documents on a flash drive.
Ik heb al mijn documenten op een USB-stick opgeslagen.

install

/ɪnˈstɑːl/

(verb) installeren, plaatsen, aanstellen

Voorbeeld:

We need to install the new washing machine today.
We moeten vandaag de nieuwe wasmachine installeren.

input

/ˈɪn.pʊt/

(noun) invoer, input, bijdrage;

(verb) invoeren, ingeven

Voorbeeld:

The computer requires user input to start the program.
De computer vereist gebruikersinvoer om het programma te starten.

load

/loʊd/

(noun) lading, vracht, werkdruk;

(verb) laden, beladen, vullen

Voorbeeld:

The truck carried a heavy load of timber.
De vrachtwagen vervoerde een zware lading hout.

refresh

/rɪˈfreʃ/

(verb) verfrissen, opfrissen, vernieuwen

Voorbeeld:

A cool drink will refresh you.
Een koel drankje zal je verfrissen.

server

/ˈsɝː.vɚ/

(noun) server, ober, serveerster

Voorbeeld:

The website is down because the server crashed.
De website is offline omdat de server crashte.

database

/ˈdeɪ.t̬ə.beɪs/

(noun) database

Voorbeeld:

The company maintains a large customer database.
Het bedrijf onderhoudt een grote klantendatabase.

desktop

/ˈdesk.tɑːp/

(noun) bureaublad, desktopcomputer, desktop

Voorbeeld:

He cleared his desktop before starting work.
Hij ruimde zijn bureaublad op voordat hij begon met werken.

cursor

/ˈkɝː.sɚ/

(noun) cursor

Voorbeeld:

Move the mouse to position the cursor over the icon.
Beweeg de muis om de cursor over het pictogram te plaatsen.

upgrade

/ʌpˈɡreɪd/

(noun) upgrade, verbetering;

(verb) upgraden, verbeteren

Voorbeeld:

The software requires an upgrade to the latest version.
De software vereist een upgrade naar de nieuwste versie.

compatible

/kəmˈpæt̬.ə.bəl/

(adjective) compatibel, verenigbaar

Voorbeeld:

The new software is compatible with older operating systems.
De nieuwe software is compatibel met oudere besturingssystemen.

crash

/kræʃ/

(noun) crash, botsing, klap;

(verb) crashen, botsen, klappen;

(adjective) crash-, spoed-;

(adverb) met een klap, met een dreun

Voorbeeld:

There was a serious car crash on the highway.
Er was een ernstige autocrash op de snelweg.

down

/daʊn/

(preposition) naar beneden, af, langs;

(adverb) naar beneden, onder, gedaald;

(adjective) naar beneden, omlaag, neerslachtig;

(noun) dons, fijne veren;

(verb) neerslaan, omverwerpen

Voorbeeld:

The ball rolled down the hill.
De bal rolde de heuvel af.

run

/rʌn/

(verb) rennen, lopen, werken;

(noun) loop, ren, periode

Voorbeeld:

She decided to run a marathon next year.
Ze besloot volgend jaar een marathon te rennen.

scroll

/skroʊl/

(noun) rol, perkament;

(verb) scrollen, doorbladeren

Voorbeeld:

The ancient text was preserved on a delicate scroll.
De oude tekst werd bewaard op een delicate rol.

cut

/kʌt/

(verb) snijden, knippen, hakken;

(noun) snede, knippen, coupe;

(adjective) gesneden, geknipt

Voorbeeld:

She accidentally cut her finger while chopping vegetables.
Ze sneed per ongeluk haar vinger tijdens het snijden van groenten.

command

/kəˈmænd/

(noun) bevel, opdracht, beheersing;

(verb) bevelen, gebieden, bevel voeren over

Voorbeeld:

The officer gave a clear command to his troops.
De officier gaf een duidelijk bevel aan zijn troepen.

code

/koʊd/

(noun) code, geheimschrift, reglement;

(verb) coderen, versleutelen, programmeren

Voorbeeld:

The message was written in code.
Het bericht was in code geschreven.

computerize

/kəmˈpjuː.t̬ə.raɪz/

(verb) automatiseren, computeriseren

Voorbeeld:

The company decided to computerize all its records to improve efficiency.
Het bedrijf besloot al zijn gegevens te automatiseren om de efficiëntie te verbeteren.

back up

/bæk ˈʌp/

(phrasal verb) back-uppen, een back-up maken, ondersteunen

Voorbeeld:

You should always back up your important files.
Je moet altijd een back-up maken van je belangrijke bestanden.

data processing

/ˈdeɪtə ˌprɑːsesɪŋ/

(noun) gegevensverwerking

Voorbeeld:

The company invested in new systems for efficient data processing.
Het bedrijf investeerde in nieuwe systemen voor efficiënte gegevensverwerking.

artificial intelligence

/ˌɑːr.t̬əˌfɪʃ.əl ɪnˈtel.ə.dʒəns/

(noun) kunstmatige intelligentie

Voorbeeld:

The company is investing heavily in artificial intelligence research.
Het bedrijf investeert zwaar in onderzoek naar kunstmatige intelligentie.

firewall

/ˈfaɪə.wɔːl/

(noun) firewall, brandmuur, brandwerende muur

Voorbeeld:

The company installed a new firewall to protect its data.
Het bedrijf installeerde een nieuwe firewall om zijn gegevens te beschermen.

antivirus

/ˌæn.t̬iˈvaɪ.rəs/

(noun) antivirus, antivirusprogramma;

(adjective) antivirus

Voorbeeld:

Make sure you have a good antivirus program installed on your computer.
Zorg ervoor dat je een goed antivirusprogramma op je computer hebt geïnstalleerd.

machine learning

/məˈʃiːn ˈlɜːr.nɪŋ/

(noun) machine learning, machinaal leren

Voorbeeld:

Machine learning algorithms are used in facial recognition.
Machine learning algoritmes worden gebruikt in gezichtsherkenning.

programming

/ˈproʊ.ɡræm.ɪŋ/

(noun) programmering, planning

Voorbeeld:

She is studying computer programming at university.
Ze studeert computerprogrammering aan de universiteit.

process

/ˈprɑː.ses/

(noun) proces, gang van zaken, natuurlijk proces;

(verb) verwerken, bewerken, afhandelen

Voorbeeld:

The application process takes about two weeks.
Het aanvraagproces duurt ongeveer twee weken.

virtual reality

/ˈvɜːr.tʃu.əl riˈæl.ə.ti/

(noun) virtuele realiteit

Voorbeeld:

Virtual reality allows users to immerse themselves in a simulated environment.
Virtuele realiteit stelt gebruikers in staat zich onder te dompelen in een gesimuleerde omgeving.

passcode

/ˈpæs.koʊd/

(noun) toegangscode, wachtwoord

Voorbeeld:

Please enter your passcode to unlock your phone.
Voer alstublieft uw toegangscode in om uw telefoon te ontgrendelen.

application

/ˌæp.ləˈkeɪ.ʃən/

(noun) aanvraag, sollicitatie, toepassing

Voorbeeld:

I submitted my application for the new job.
Ik heb mijn aanvraag voor de nieuwe baan ingediend.

random-access memory

/ˈræn.dəm ˌæk.ses ˈmem.ər.i/

(noun) random-access geheugen, RAM

Voorbeeld:

Adding more random-access memory can significantly improve your computer's performance.
Het toevoegen van meer random-access geheugen kan de prestaties van uw computer aanzienlijk verbeteren.

developer

/dɪˈvel.ə.pɚ/

(noun) ontwikkelaar, ontwikkelvloeistof

Voorbeeld:

She works as a software developer for a tech company.
Zij werkt als softwareontwikkelaar voor een technologiebedrijf.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland