Avatar of Vocabulary Set Landbouw en gewassen

Vocabulaireverzameling Landbouw en gewassen in Essentiële woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Landbouw en gewassen' in 'Essentiële woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

agricultural

/ˌæɡ.rəˈkʌl.tʃɚ.əl/

(adjective) agrarisch, landbouw-

Voorbeeld:

The region is known for its rich agricultural land.
De regio staat bekend om zijn rijke landbouwgrond.

peasant

/ˈpez.ənt/

(noun) boer, landarbeider, lomperik

Voorbeeld:

The peasants toiled in the fields from dawn till dusk.
De boeren zwoegden op de velden van zonsopgang tot zonsondergang.

cultivate

/ˈkʌl.tə.veɪt/

(verb) verbouwen, bewerken, ontwikkelen

Voorbeeld:

Farmers cultivate the land to grow corn and wheat.
Boeren bewerken het land om maïs en tarwe te verbouwen.

yield

/jiːld/

(verb) opleveren, produceren, opbrengen;

(noun) opbrengst, productie, rendement

Voorbeeld:

The apple trees yielded a bountiful harvest this year.
De appelbomen leverden dit jaar een overvloedige oogst op.

harvest

/ˈhɑːr.vəst/

(noun) oogst, opbrengst;

(verb) oogsten, binnenhalen, plukken

Voorbeeld:

The harvest was abundant this year due to good weather.
De oogst was overvloedig dit jaar dankzij het goede weer.

growing season

/ˈɡroʊ.ɪŋ ˌsiː.zən/

(noun) groeiseizoen

Voorbeeld:

The growing season in this region lasts from April to October.
Het groeiseizoen in deze regio duurt van april tot oktober.

plantation

/plænˈteɪ.ʃən/

(noun) plantage, aanplant

Voorbeeld:

The old sugar plantation is now a historical museum.
De oude suikerplantage is nu een historisch museum.

raise

/reɪz/

(verb) optillen, verhogen, vergroten;

(noun) salarisverhoging, loonsverhoging

Voorbeeld:

She raised her hand to ask a question.
Ze stak haar hand op om een vraag te stellen.

produce

/prəˈduːs/

(verb) produceren, vervaardigen, opleveren;

(noun) producten, landbouwproducten

Voorbeeld:

The factory produces cars.
De fabriek produceert auto's.

plow

/plaʊ/

(noun) ploeg;

(verb) ploegen, omploegen, zich een weg banen

Voorbeeld:

The farmer used a heavy plow to prepare the field for planting.
De boer gebruikte een zware ploeg om het veld voor te bereiden op het planten.

reap

/riːp/

(verb) plukken, oogsten, maaien

Voorbeeld:

They are now reaping the rewards of all their hard work.
Ze plukken nu de vruchten van al hun harde werk.

cereal

/ˈsɪr.i.əl/

(noun) graan, graangewas, ontbijtgranen

Voorbeeld:

Wheat is a common cereal crop.
Tarwe is een veelvoorkomend graangewas.

crop

/krɑːp/

(noun) gewas, oogst, kort kapsel;

(verb) snoeien, verbouwen, knippen

Voorbeeld:

Wheat is a major crop in this region.
Tarwe is een belangrijk gewas in deze regio.

wheat

/wiːt/

(noun) tarwe

Voorbeeld:

Wheat is a staple food for many cultures.
Tarwe is een basisvoedsel voor veel culturen.

soy

/sɔɪ/

(noun) soja

Voorbeeld:

Many vegetarian dishes use soy as a protein source.
Veel vegetarische gerechten gebruiken soja als eiwitbron.

sugar cane

/ˈʃʊɡər keɪn/

(noun) suikerriet

Voorbeeld:

The farmer harvested the sugar cane in the field.
De boer oogstte het suikerriet op het veld.

barley

/ˈbɑːr.li/

(noun) gerst

Voorbeeld:

The farmer harvested a field of golden barley.
De boer oogstte een veld met gouden gerst.

hay

/heɪ/

(noun) hooi

Voorbeeld:

The farmer stored the hay in the barn for winter.
De boer sloeg het hooi op in de schuur voor de winter.

vineyard

/ˈvɪn.jɚd/

(noun) wijngaard

Voorbeeld:

The rolling hills were covered with lush vineyards.
De glooiende heuvels waren bedekt met weelderige wijngaarden.

mill

/mɪl/

(noun) molen, fabriek, bedrijf;

(verb) malen, vermalen, frezen

Voorbeeld:

The old water mill still stands by the river.
De oude watermolen staat nog steeds bij de rivier.

ripe

/raɪp/

(adjective) rijp, geschikt

Voorbeeld:

The bananas are perfectly ripe for eating.
De bananen zijn perfect rijp om te eten.

pest

/pest/

(noun) plaag, ongedierte, lastpak

Voorbeeld:

The farmer used pesticides to control the pests in his fields.
De boer gebruikte pesticiden om de plagen op zijn velden te bestrijden.

pesticide

/ˈpes.tə.saɪd/

(noun) bestrijdingsmiddel, pesticide

Voorbeeld:

Farmers often use pesticides to protect their crops from insects.
Boeren gebruiken vaak bestrijdingsmiddelen om hun gewassen te beschermen tegen insecten.

livestock

/ˈlaɪv.stɑːk/

(noun) vee, veestapel

Voorbeeld:

The farmer keeps various types of livestock, including cows and sheep.
De boer houdt verschillende soorten vee, waaronder koeien en schapen.

dairy

/ˈder.i/

(noun) zuivelfabriek, melkbedrijf;

(adjective) zuivel, melk-

Voorbeeld:

The fresh milk is delivered daily to the dairy.
De verse melk wordt dagelijks geleverd aan de zuivelfabriek.

fertilize

/ˈfɝː.t̬əl.aɪz/

(verb) bemesten, bevruchten, bestuiven

Voorbeeld:

Farmers fertilize their fields to ensure a good harvest.
Boeren bemesten hun velden om een goede oogst te garanderen.

fertilizer

/ˈfɝː.t̬əl.aɪ.zɚ/

(noun) meststof, kunstmest

Voorbeeld:

Farmers use fertilizer to improve crop yields.
Boeren gebruiken meststof om de oogstopbrengst te verbeteren.

barn

/bɑːrn/

(noun) schuur, stal

Voorbeeld:

The farmer stored his hay in the barn.
De boer bewaarde zijn hooi in de schuur.

stable

/ˈsteɪ.bəl/

(adjective) stabiel, vast, stevig;

(noun) stal, paardenstal;

(verb) stallen, onderbrengen

Voorbeeld:

The country's economy is now stable.
De economie van het land is nu stabiel.

greenhouse

/ˈɡriːn.haʊs/

(noun) kas

Voorbeeld:

The gardener spent hours tending to the plants in the greenhouse.
De tuinman bracht uren door met het verzorgen van de planten in de kas.

bloom

/bluːm/

(noun) bloem, bloei, hoogtijdagen;

(verb) bloeien, in bloei staan, floreren

Voorbeeld:

The rose bush was covered in beautiful blooms.
De rozenstruik was bedekt met prachtige bloemen.

bud

/bʌd/

(noun) knop, vriend, maatje;

(verb) uitlopen, ontspruiten

Voorbeeld:

The rose bush is full of new buds.
De rozenstruik zit vol met nieuwe knoppen.

bush

/bʊʃ/

(noun) struik, bosje

Voorbeeld:

The bird built its nest in the rose bush.
De vogel bouwde zijn nest in de rozenstruik.

weed

/wiːd/

(noun) onkruid, wiet, marihuana;

(verb) wieden, onkruid verwijderen, uitroeien

Voorbeeld:

The garden was overgrown with weeds.
De tuin was overwoekerd met onkruid.

root

/ruːt/

(noun) wortel, oorzaak, grondslag;

(verb) wortelen, zich vestigen, doen wortelen

Voorbeeld:

The tree's roots spread deep into the soil.
De wortels van de boom verspreiden zich diep in de grond.

palm

/pɑːm/

(noun) handpalm, palmboom;

(verb) verbergen, verstoppen, verpatsen

Voorbeeld:

She held the small bird gently in her palm.
Ze hield het kleine vogeltje voorzichtig in haar handpalm.

oak

/oʊk/

(noun) eik, eikenboom

Voorbeeld:

The ancient oak stood tall in the forest.
De oude eik stond hoog in het bos.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland