Vocabulaireverzameling Locatie in SAT Science-woordenschat: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Locatie' in 'SAT Science-woordenschat' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) hoogte, elevatie, verhoging
Voorbeeld:
(noun) hoogte
Voorbeeld:
(noun) nabijheid, dichtbijheid
Voorbeeld:
(noun) regeling, voorbereiding, opstelling
Voorbeeld:
(noun) verwijdering, afvoer, beschikking
Voorbeeld:
(noun) indeling, opmaak, lay-out;
(verb) indelen, opmaken, uittekenen
Voorbeeld:
(noun) superpositie, overlapping, kwantumsuperpositie
Voorbeeld:
(noun) verblijfplaats, waar ergens;
(adverb) waar ongeveer, waar ergens
Voorbeeld:
(noun) nabijheid, omgeving
Voorbeeld:
(noun) district, wijk, stemdistrict
Voorbeeld:
(plural noun) omstreken, omgeving
Voorbeeld:
(noun) pony, franje, kwastje;
(verb) franjeren, afzetten;
(adjective) marginaal, alternatief, onconventioneel
Voorbeeld:
(noun) plaats, punt, locatie
Voorbeeld:
(noun) tussenruimte, hiaat
Voorbeeld:
(noun) dislocatie, ontwrichting, verstoring
Voorbeeld:
(noun) configuratie, opstelling, indeling
Voorbeeld:
(verb) transponeren, verwisselen, overbrengen
Voorbeeld:
(verb) vervangen, verdringen, verplaatsen
Voorbeeld:
(verb) zweven, hangen, aarzelen
Voorbeeld:
(verb) hangen, zakken, slap hangen;
(noun) zakking, verwelking, hang
Voorbeeld:
(verb) inbedden, vastzetten, invoegen
Voorbeeld:
(verb) invoegen, insteken, toevoegen;
(noun) inlage, bijlage
Voorbeeld:
(noun) rust, kalmte;
(verb) rusten, liggen
Voorbeeld:
(noun) storting, deposito, aanbetaling;
(verb) deponeren, neerleggen, afzetten
Voorbeeld:
(noun) hut, blokhut, woning;
(verb) indienen, aanbrengen, deponeren
Voorbeeld:
(verb) hurken, neerhurken, kraken;
(noun) hurkzit, squat, kraakpand;
(adjective) gedrongen, laag en breed
Voorbeeld:
(verb) installeren, nestelen, onderbrengen
Voorbeeld:
(verb) hangen, bungelen, aanbieden
Voorbeeld:
(verb) hurken, bukken;
(noun) hurk, buk
Voorbeeld:
(verb) draperen, hangen;
(noun) draperie, gordijn
Voorbeeld:
(noun) berg, heuvel;
(verb) beklimmen, bestijgen, bevestigen
Voorbeeld:
(verb) opschorten, schorsen, ophangen
Voorbeeld:
(noun) flank, zij, zijvleugel;
(verb) flankeren, aan de zijkant staan
Voorbeeld:
(noun) nest, toevluchtsoord, schuilplaats;
(verb) nestelen, zich vestigen
Voorbeeld:
(verb) knuffelen, zich nestelen;
(noun) knuffel, omhelzing
Voorbeeld:
(noun) gordel, korset, riem;
(verb) omgorden, omringen
Voorbeeld:
(verb) bedekken, overleggen, overtrekken;
(noun) overlay, bedekking, laag
Voorbeeld:
(adjective) rechtop, opgericht;
(verb) oprichten, bouwen
Voorbeeld:
(verb) superponeren, over elkaar heen leggen
Voorbeeld:
(verb) schragen, spreiden, overbruggen
Voorbeeld:
(verb) situeren, plaatsen, leggen
Voorbeeld:
(adjective) aangrenzend, naastgelegen
Voorbeeld:
(adjective) aangrenzend, aaneensluitend
Voorbeeld:
(adjective) stationair, stilstaand, onbeweeglijk
Voorbeeld:
(adjective) statisch, onveranderlijk;
(noun) ruis, statische ruis
Voorbeeld:
(adjective) onbeweeglijk, vast, onvermurwbaar
Voorbeeld:
(adjective) geïsoleerd, afgelegen, afgezonderd
Voorbeeld:
(adjective) afgelegen, ver, gering;
(noun) afstandsbediening
Voorbeeld:
(adjective) dun, schaars, verspreid
Voorbeeld:
(adverb) omhoog, in de lucht;
(adjective) in de lucht, hooggelegen
Voorbeeld:
(adjective) diepste, meest innerlijke, binnenste
Voorbeeld:
(adjective) positioneel
Voorbeeld:
(adjective) gespreid, uitgestrekt;
(verb) uitspreiden, openleggen
Voorbeeld:
(adjective) schuin, hellend, gekleurd
Voorbeeld:
(adjective) buitenste, uiterste
Voorbeeld:
(adjective) tegenstelbaar
Voorbeeld:
(adverb) elders, ergens anders
Voorbeeld:
(verb) preciseren, vaststellen
Voorbeeld:
(noun) omkering, inversie, temperatuurinversie
Voorbeeld: