Vocabulaireverzameling De natuurlijke wereld in SAT Science-woordenschat: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'De natuurlijke wereld' in 'SAT Science-woordenschat' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) prooi, slachtoffer;
(verb) jagen op, prooien op, uitbuiten
Voorbeeld:
(noun) schil, korst;
(verb) schillen, ontkorsten
Voorbeeld:
(noun) droogte, tekort, gebrek
Voorbeeld:
(noun) windvlaag, vlaag, uitbarsting;
(verb) waaien in vlagen, stormen
Voorbeeld:
(noun) sneeuwpakket, sneeuwdek
Voorbeeld:
(noun) struik, heester
Voorbeeld:
(noun) takje, twijg;
(verb) begrijpen, doorhebben
Voorbeeld:
(noun) baldakijn, luifel, overkapping;
(verb) overkappen, bedekken
Voorbeeld:
(noun) lawine, overweldigende hoeveelheid;
(verb) lawineren, neerstorten
Voorbeeld:
(noun) pluim, veer, kolom;
(verb) veren poetsen, gladstrijken
Voorbeeld:
(noun) vocht, vochtigheid
Voorbeeld:
(noun) sneeuwstorm, blizzard
Voorbeeld:
(noun) gevogelte
Voorbeeld:
(noun) zaailing, jong boompje
Voorbeeld:
(noun) nakomelingen, nageslacht, kroost
Voorbeeld:
(noun) nakomelingen, kinderen
Voorbeeld:
(noun) onderhout, kreupelhout
Voorbeeld:
(noun) hol, burcht;
(verb) graven, holen, zich verstoppen
Voorbeeld:
(noun) aquamarijn, zeegroen;
(adjective) aquamarijn, zeegroen
Voorbeeld:
(verb) gooien, bekogelen, neerplenzen;
(noun) vacht, huid
Voorbeeld:
(noun) hars, kunststof, synthetische hars;
(verb) harsen, met hars behandelen
Voorbeeld:
(noun) muil, bek
Voorbeeld:
(noun) vitaliteit, levenskracht, energie
Voorbeeld:
(noun) hybride, mengsel, kruising;
(adjective) hybride, gemengd
Voorbeeld:
(verb) sluimeren, slapen;
(noun) slaap, sluimer
Voorbeeld:
(adjective) weelderig, overvloedig, uitbundig
Voorbeeld:
(adjective) eetbaar;
(noun) eetwaren, voedingsmiddelen
Voorbeeld:
(adjective) zacht, mild, aangenaam
Voorbeeld:
(adjective) prematuur, voorbarig
Voorbeeld:
(verb) ontkiemen, kiemen, zich ontwikkelen
Voorbeeld:
(noun) gehuil, gejank;
(verb) huilen, janken, brullen
Voorbeeld:
(noun) zitstok, roest, baars;
(verb) neerstrijken, zitten, plaatsen
Voorbeeld:
(verb) uitlogen, doorsijpelen;
(noun) uitloging, doorsijpeling
Voorbeeld:
(noun) slaapplaats, roest;
(verb) rusten, slapen
Voorbeeld:
(verb) grazen, schampen, raken;
(noun) schaafwond, schram
Voorbeeld:
(verb) pikken, hakken, kussen;
(noun) kusje, pik, slag met de snavel
Voorbeeld:
(past tense) viel, daalde;
(noun) heuvels, hoogland;
(verb) vellen, omhakken;
(adjective) verschrikkelijk, dodelijke
Voorbeeld:
(verb) poetsen, opknappen, zich opmaken
Voorbeeld:
(verb) fladderen, wapperen, trillen;
(noun) fladdering, trilling
Voorbeeld:
(noun) achterkant, achterzijde;
(adjective) achterste;
(verb) fokken, houden, opvoeden
Voorbeeld: