Vocabulaireverzameling Negatieve emoties in SAT-woordenschat gerelateerd aan de geesteswetenschappen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Negatieve emoties' in 'SAT-woordenschat gerelateerd aan de geesteswetenschappen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) schaamte, verlegenheid, gêne
Voorbeeld:
(noun) nood, angst, verdriet;
(verb) verontrusten, kwellen, bedroeven
Voorbeeld:
(noun) afschuw, afkeer, verabhorrentie
Voorbeeld:
(noun) agitatie, onrust, roeren
Voorbeeld:
(verb) vrezen, gruwelen van;
(noun) angst, vrees;
(adjective) angstaanjagend, vreselijk
Voorbeeld:
(noun) neerslachtigheid, somberheid, depressie
Voorbeeld:
(noun) wanhoop;
(verb) wanhopen
Voorbeeld:
(noun) gewetensbezwaar, twijfel, scrupule
Voorbeeld:
(noun) ontsteltenis, consternatie, verslagenheid;
(verb) ontzetten, verontrusten, verslagen maken
Voorbeeld:
(noun) razernij, waanzin, gekte
Voorbeeld:
(noun) hysterie, paniek, hysterie (verouderde medische diagnose)
Voorbeeld:
(noun) woede, toorn
Voorbeeld:
(noun) schrik, angst;
(verb) afschrikken, beangstigen
Voorbeeld:
(noun) ergernis, irritatie, plaag
Voorbeeld:
(noun) afschuw, weerzin, walging
Voorbeeld:
(noun) ontzetting, bestonstertheid, verslagenheid
Voorbeeld:
(noun) verlangen, heimwee, begeerte;
(adjective) verlangend, hunkerend, begeerlijk
Voorbeeld:
(noun) agressie, aanval
Voorbeeld:
(noun) steek, pijnsteek, kramp;
(verb) steken, pijn doen, knagen
Voorbeeld:
(noun) angst, pijn, kwelling;
(verb) kwellen, pijnigen
Voorbeeld:
(adjective) afschuwelijk, ijzingwekkend
Voorbeeld:
(adjective) griezelig, eng, onheilspellend
Voorbeeld:
(adjective) verontrustend, onrustbarend
Voorbeeld:
(adjective) ontnuchterend
Voorbeeld:
(adjective) aangrijpend, roerend
Voorbeeld:
(adjective) wanhopig, hectisch, razend
Voorbeeld:
(adjective) neerslachtig, depressief, somber
Voorbeeld:
(adjective) verontrustend, zenuwslopend
Voorbeeld:
(adjective) woedend, verontwaardigd;
(verb) woedend maken, verontwaardigen
Voorbeeld:
(adjective) verstijfd, doodsbang, versteend
Voorbeeld:
(adjective) weemoedig, verlangend
Voorbeeld:
(adjective) somber, grimmig, triest
Voorbeeld:
(adjective) verlaten, desolaat, troosteloos;
(verb) verwoesten, ontvolken, troosteloos maken
Voorbeeld:
(adjective) klagelijk, weemoedig
Voorbeeld:
(adjective) verbluft, verbijsterd, geschokt
Voorbeeld:
(adjective) geschrokken, verbaasd
Voorbeeld:
(adjective) rusteloos, onrustig, onvermoeibaar
Voorbeeld:
(adjective) gealarmeerd, verontrust
Voorbeeld:
(adjective) zelfbewust, verlegen
Voorbeeld:
(adjective) bezorgd, angstig, onrustig
Voorbeeld:
(adjective) gefrustreerd, teleurgesteld
Voorbeeld:
(adjective) ongemakkelijk, ongerust, onrustig
Voorbeeld:
(adjective) jaloers
Voorbeeld:
(adjective) desperaat, hopeloos, wanhopig
Voorbeeld:
(adjective) onwillig, afkerig
Voorbeeld:
(verb) rouwen, betreuren
Voorbeeld:
(verb) rouwen, treuren, bedroeven
Voorbeeld:
(noun) klaagzang, weeklacht;
(verb) beklagen, treuren om
Voorbeeld:
(verb) vernederen, kleineren
Voorbeeld:
(verb) razend maken, woedend maken
Voorbeeld:
(verb) verwarren, zenuwachtig maken;
(noun) verwarring, opwinding
Voorbeeld:
(verb) ergeren, irriteren, exaspereren
Voorbeeld:
(verb) verwarren, verbijsteren, verbluffen
Voorbeeld:
(noun) verontwaardiging, woede, schandaal;
(verb) verontwaardigen, woedend maken, schokken
Voorbeeld:
(verb) ergeren, irriteren, kwellen
Voorbeeld:
(verb) irriteren, ergeren, prikkelen
Voorbeeld:
(verb) smoren, verstikken, bedekken
Voorbeeld:
(verb) verlangen, hunkeren
Voorbeeld:
(verb) terugdeinzen, terugspringen, terugslaan;
(noun) terugdeinzing, terugtrekking, terugslag
Voorbeeld:
(adverb) jammerlijk, betonenswaardig, droevig
Voorbeeld: