Avatar of Vocabulary Set Bedrijfskunde en management

Vocabulaireverzameling Bedrijfskunde en management in SAT-woordenschat gerelateerd aan de geesteswetenschappen: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Bedrijfskunde en management' in 'SAT-woordenschat gerelateerd aan de geesteswetenschappen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

sector

/ˈsek.tɚ/

(noun) sector, gebied, cirkelsector

Voorbeeld:

The technology sector has seen rapid growth.
De technologiesector heeft een snelle groei doorgemaakt.

headquarters

/ˈhedˌkwɔːr.t̬ɚz/

(noun) hoofdkantoor, hoofdkwartier

Voorbeeld:

The company's headquarters is located in New York City.
Het hoofdkantoor van het bedrijf bevindt zich in New York City.

chief executive officer

/ˌtʃiːf ɪɡˈzek.jə.tɪv ˈɑː.fɪ.sər/

(noun) chief executive officer, algemeen directeur

Voorbeeld:

The chief executive officer announced a new strategic direction for the company.
De chief executive officer kondigde een nieuwe strategische richting voor het bedrijf aan.

corporation

/ˌkɔːr.pəˈreɪ.ʃən/

(noun) onderneming, corporatie, bedrijf

Voorbeeld:

She works for a multinational corporation.
Zij werkt voor een multinationale onderneming.

foundation

/faʊnˈdeɪ.ʃən/

(noun) fundering, basis, grondslag

Voorbeeld:

The house has a strong concrete foundation.
Het huis heeft een sterke betonnen fundering.

enterprise

/ˈen.t̬ɚ.praɪz/

(noun) onderneming, project, bedrijf

Voorbeeld:

Starting a new business is a challenging enterprise.
Een nieuw bedrijf starten is een uitdagende onderneming.

bureau

/ˈbjʊr.oʊ/

(noun) commode, ladekast, bureau

Voorbeeld:

She neatly folded her sweaters and placed them in the top drawer of the bureau.
Ze vouwde haar truien netjes op en legde ze in de bovenste lade van de commode.

start-up

/ˈstɑːrt.ʌp/

(noun) start-up, beginnend bedrijf

Voorbeeld:

Many young entrepreneurs dream of launching their own start-up.
Veel jonge ondernemers dromen ervan hun eigen start-up te lanceren.

entrepreneur

/ˌɑːn.trə.prəˈnɝː/

(noun) ondernemer

Voorbeeld:

The young entrepreneur launched her startup with innovative ideas.
De jonge ondernemer lanceerde haar startup met innovatieve ideeën.

guild

/ɡɪld/

occupation

/ˌɑː.kjəˈpeɪ.ʃən/

(noun) beroep, bezigheid, werk

Voorbeeld:

Please state your name, address, and occupation.
Vermeld alstublieft uw naam, adres en beroep.

profession

/prəˈfeʃ.ən/

(noun) beroep, vak, verklaring

Voorbeeld:

Teaching is a noble profession.
Lesgeven is een nobel beroep.

copyright

/ˈkɑː.pi.raɪt/

(noun) auteursrecht, copyright;

(verb) auteursrechtelijk beschermen, copyrighten

Voorbeeld:

The author holds the copyright to her novel.
De auteur bezit het auteursrecht op haar roman.

real estate

/ˈriːəl ɪˈsteɪt/

(noun) vastgoed, onroerend goed

Voorbeeld:

She works as a real estate agent.
Ze werkt als makelaar.

designation

/ˌdez.ɪɡˈneɪ.ʃən/

(noun) aanduiding, benaming, titel

Voorbeeld:

The official designation for the new building is 'The Innovation Hub'.
De officiële aanduiding voor het nieuwe gebouw is 'The Innovation Hub'.

turnover

/ˈtɝːnˌoʊ.vɚ/

(noun) omzet, personeelsverloop, verloop

Voorbeeld:

The company reported a significant turnover increase this quarter.
Het bedrijf rapporteerde dit kwartaal een aanzienlijke stijging van de omzet.

productivity

/ˌproʊ.dəkˈtɪv.ə.t̬i/

(noun) productiviteit, doelmatigheid

Voorbeeld:

The new machinery has increased the factory's productivity.
De nieuwe machines hebben de productiviteit van de fabriek verhoogd.

internship

/ˈɪn.tɝːn.ʃɪp/

(noun) stage

Voorbeeld:

She completed a summer internship at a law firm.
Ze voltooide een zomerstage bij een advocatenkantoor.

portfolio

/ˌpɔːrtˈfoʊ.li.oʊ/

(noun) portfolio, map, beleggingsportefeuille

Voorbeeld:

She carried her artwork in a large portfolio.
Ze droeg haar kunstwerken in een grote portfolio.

affiliation

/əˌfɪl.iˈeɪ.ʃən/

(noun) affiliatie, verbondenheid, lidmaatschap

Voorbeeld:

Her political affiliation is with the Democratic Party.
Haar politieke affiliatie is met de Democratische Partij.

supervision

/ˌsuː.pɚˈvɪʒ.ən/

(noun) toezicht, supervisie, leiding

Voorbeeld:

The project is under the supervision of a senior engineer.
Het project staat onder toezicht van een senior ingenieur.

inventory

/ˈɪn.vən.tɔːr.i/

(noun) inventaris, voorraad, goederen;

(verb) inventariseren, opmaken

Voorbeeld:

The store conducted an annual inventory of all its products.
De winkel voerde een jaarlijkse inventarisatie uit van al zijn producten.

bureaucrat

/ˈbjʊr.ə.kræt/

(noun) bureaucraat, ambtenaar

Voorbeeld:

The local bureaucrat insisted that all the forms be filled out in triplicate.
De lokale bureaucraat stond erop dat alle formulieren in drievoud werden ingevuld.

sideline

/ˈsaɪd.laɪn/

(noun) zijlijn, buitenstaander;

(verb) passiveren, opzij zetten

Voorbeeld:

The coach stood near the sideline, shouting instructions.
De coach stond bij de zijlijn, instructies roepend.

workshop

/ˈwɝːk.ʃɑːp/

(noun) werkplaats, atelier, workshop;

(verb) uitwerken in een workshop, bespreken in een workshop

Voorbeeld:

The mechanic spent all day in his workshop fixing cars.
De monteur bracht de hele dag door in zijn werkplaats auto's repareren.

vendor

/ˈven.dɚ/

(noun) verkoper, leverancier

Voorbeeld:

The street vendor was selling hot dogs and pretzels.
De straatverkoper verkocht hotdogs en pretzels.

stall

/stɑːl/

(noun) kraam, stand, stal;

(verb) stoppen, vertragen, haperen

Voorbeeld:

She set up a fruit stall at the farmer's market.
Ze zette een fruitkraam op de boerenmarkt.

parlor

/ˈpɑːr.lɚ/

(noun) zitkamer, salon, zaak

Voorbeeld:

We gathered in the parlor for an evening of conversation.
We verzamelden ons in de zitkamer voor een avond vol gesprekken.

outsourcing

/ˈaʊtˌsɑː.sɪŋ/

(noun) outsourcing, uitbesteding

Voorbeeld:

Many companies are turning to outsourcing to reduce costs.
Veel bedrijven wenden zich tot outsourcing om kosten te verlagen.

bookkeeping

/ˈbʊkˌkiː.pɪŋ/

(noun) boekhouding

Voorbeeld:

She handles all the bookkeeping for the small company.
Zij verzorgt alle boekhouding voor het kleine bedrijf.

slogan

/ˈsloʊ.ɡən/

(noun) slogan, leus

Voorbeeld:

The company's new slogan is 'Innovate, Create, Elevate'.
De nieuwe slogan van het bedrijf is 'Innoveren, Creëren, Verheffen'.

menial

/ˈmiː.ni.əl/

(adjective) onbeduidend, nederig, eentonig;

(noun) ondergeschikte, keukenhulp

Voorbeeld:

He had to take a menial job to pay the bills.
Hij moest een onbeduidend baantje aannemen om de rekeningen te betalen.

telecommute

/ˈtel.ə.kə.mjuːt/

(verb) telewerken, thuiswerken

Voorbeeld:

Many employees now telecommute several days a week.
Veel werknemers telewerken nu meerdere dagen per week.

induct

/ɪnˈdʌkt/

(verb) inhuldigen, inlijven, introduceren

Voorbeeld:

The hall of fame will induct five new members this year.
De hall of fame zal dit jaar vijf nieuwe leden inhuldigen.

commission

/kəˈmɪʃ.ən/

(noun) opdracht, taak, commissie;

(verb) opdragen, bestellen, in gebruik nemen

Voorbeeld:

He received a commission to paint the mayor's portrait.
Hij ontving een opdracht om het portret van de burgemeester te schilderen.

govern

/ˈɡʌv.ɚn/

(verb) regeren, besturen, leiden

Voorbeeld:

The new president will govern the country for the next four years.
De nieuwe president zal het land de komende vier jaar regeren.

preside

/prɪˈzaɪd/

(verb) voorzitten, leiden

Voorbeeld:

The vice president will preside over the meeting.
De vicepresident zal de vergadering voorzitten.

trademark

/ˈtreɪd.mɑːrk/

(noun) handelsmerk, merk;

(verb) registreren als handelsmerk, merken

Voorbeeld:

The company registered its new logo as a trademark.
Het bedrijf registreerde zijn nieuwe logo als een handelsmerk.

commercialize

/kəˈmɝː.ʃəl.aɪz/

(verb) commercialiseren

Voorbeeld:

The university is looking for ways to commercialize its research.
De universiteit zoekt naar manieren om haar onderzoek te commercialiseren.

decentralize

/ˌdiːˈsen.trə.laɪz/

(verb) decentraliseren, verspreiden

Voorbeeld:

The government plans to decentralize power to regional councils.
De regering is van plan de macht te decentraliseren naar regionale raden.

enlist

/ɪnˈlɪst/

(verb) aanmelden, in dienst treden, inroepen

Voorbeeld:

He decided to enlist in the army after high school.
Hij besloot zich na de middelbare school bij het leger aan te melden.

retail

/ˈriː.teɪl/

(noun) detailhandel, retail;

(verb) verkopen, detailhandelen;

(adjective) detailhandel, retail

Voorbeeld:

The company is expanding its retail operations.
Het bedrijf breidt zijn detailhandelactiviteiten uit.

recruit

/rɪˈkruːt/

(noun) rekruut, dienstplichtige, nieuwe medewerker;

(verb) rekruteren, werven, vormen

Voorbeeld:

The new recruits arrived at the training camp.
De nieuwe rekruten arriveerden in het trainingskamp.

appoint

/əˈpɔɪnt/

(verb) benoemen, aanstellen, vaststellen

Voorbeeld:

They decided to appoint her as the new director.
Ze besloten haar als de nieuwe directeur te benoemen.

mass-produce

/ˌmæs.prəˈduːs/

(verb) massaal produceren, in massaproductie nemen

Voorbeeld:

The company began to mass-produce affordable cars in the 1920s.
Het bedrijf begon in de jaren twintig betaalbare auto's in massaproductie te nemen.

oversee

/ˌoʊ.vɚˈsiː/

(verb) overzien, toezicht houden op

Voorbeeld:

The manager will oversee the entire project.
De manager zal het hele project overzien.

demonetize

/diːˈmʌn.ɪ.taɪz/

(verb) demonetiseren, uit de circulatie nemen

Voorbeeld:

The video was demonetized because it contained copyrighted music.
De video werd gedemonetiseerd omdat deze auteursrechtelijk beschermde muziek bevatte.

stock

/stɑːk/

(noun) voorraad, goederen, aandeel;

(verb) voorraad hebben, op voorraad houden;

(adjective) op voorraad, beschikbaar

Voorbeeld:

The store has a large stock of electronics.
De winkel heeft een grote voorraad elektronica.

clinch

/klɪntʃ/

(verb) beklinken, bevestigen, vastleggen;

(noun) clinch, omhelzing

Voorbeeld:

The company hopes to clinch a deal with the new client.
Het bedrijf hoopt een deal met de nieuwe klant te beklinken.

sponsor

/ˈspɑːn.sɚ/

(noun) sponsor, geldschieter, indiener;

(verb) sponsoren, financieren, ondersteunen

Voorbeeld:

The company is a major sponsor of the local charity run.
Het bedrijf is een belangrijke sponsor van de lokale liefdadigheidsloop.

administer

/ədˈmɪn.ə.stɚ/

(verb) besturen, beheren, toedienen

Voorbeeld:

The school is administered by a board of governors.
De school wordt bestuurd door een raad van bestuur.

streamline

/ˈstriːm.laɪn/

(verb) stroomlijnen, efficiënter maken, gestroomlijnd;

(adjective) gestroomlijnd, aerodynamisch

Voorbeeld:

The company decided to streamline its production process to reduce costs.
Het bedrijf besloot zijn productieproces te stroomlijnen om kosten te verlagen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland