Vocabulaireverzameling Gemak en creativiteit in Essentiële SAT-woordenschat voor het examen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Gemak en creativiteit' in 'Essentiële SAT-woordenschat voor het examen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) accessoire, toebehoren, medeplichtige;
(adjective) medeplichtig
Voorbeeld:
(noun) verdienste, waarde, kwaliteit;
(verb) verdienen, waard zijn
Voorbeeld:
(noun) aanvraag, sollicitatie, toepassing
Voorbeeld:
(noun) back-up, reservekopie, ondersteuning;
(verb) back-uppen, een reservekopie maken;
(adjective) reserve, back-up
Voorbeeld:
(adjective) geïmproviseerd, nood-;
(noun) noodoplossing, lapmiddel
Voorbeeld:
(noun) tussenoplossing, noodoplossing;
(adjective) tijdelijk, provisorisch
Voorbeeld:
(noun) efficiëntie, doelmatigheid
Voorbeeld:
(noun) opname, absorptie, acceptatie
Voorbeeld:
(noun) rest, overblijfsel, residu
Voorbeeld:
(noun) bijdrage, schenking, aandeel
Voorbeeld:
(adjective) complementair, aanvullend
Voorbeeld:
(adjective) onpraktisch, onrealistisch
Voorbeeld:
(idiom) instrumenteel zijn in, een belangrijke rol spelen bij
Voorbeeld:
(adjective) veelzijdig, flexibel
Voorbeeld:
(adjective) uitwisselbaar, verwisselbaar
Voorbeeld:
(adjective) toepasselijk, van toepassing
Voorbeeld:
(noun) vervanger, plaatsvervanger;
(verb) vervangen, in de plaats stellen;
(adjective) vervangend, plaatsvervangend
Voorbeeld:
(noun) restjes, overblijfselen, overblijfsel;
(adjective) overgebleven, restant
Voorbeeld:
(adjective) passend, geschikt;
(verb) toe-eigenen, aanwenden, toewijzen
Voorbeeld:
(adjective) alternatief, ander;
(noun) alternatief, keuze
Voorbeeld:
(adjective) aanvullend, extra
Voorbeeld:
(adjective) informatief, leerzaam
Voorbeeld:
(verb) gebruiken, benutten, aanwenden
Voorbeeld:
(noun) werktuig, gereedschap;
(verb) implementeren, uitvoeren
Voorbeeld:
(verb) inzetten, ontplooien, gebruiken
Voorbeeld:
(verb) adopteren, aannemen, overnemen
Voorbeeld:
(verb) afleiden, ontlenen
Voorbeeld:
(verb) manipuleren, bedienen, beïnvloeden
Voorbeeld:
(adjective) dubbel, tweevoudig, twee keer zoveel;
(verb) verdubbelen;
(adverb) dubbel, twee keer zoveel;
(noun) dubbele, tweehonkslag
Voorbeeld:
(noun) tuig, harnas, gordel;
(verb) aantuigen, inspannen, benutten
Voorbeeld:
(verb) terughalen, ophalen
Voorbeeld:
(verb) terugvorderen, terugkrijgen, terugwinnen
Voorbeeld:
(verb) vervangen, opzijzetten
Voorbeeld:
(verb) overbelasten, te veel vergen van, te zwaar belasten
Voorbeeld:
(verb) exploiteren, benutten, uitbuiten;
(noun) daad, prestatie
Voorbeeld:
(verb) bouwen, construeren, opbouwen;
(noun) construct, bouwsel
Voorbeeld:
(verb) oprichten, stichten;
(past tense) vond, gevonden
Voorbeeld:
(verb) genereren, produceren, creëren
Voorbeeld:
(noun) kuit, broed, product;
(verb) paaien, voortplanten, voortbrengen
Voorbeeld:
(verb) bedenken, beramen, verzinnen
Voorbeeld:
(verb) bedenken, uitdenken, ontwerpen
Voorbeeld:
(noun) trekker, ontspanner, trigger;
(verb) activeren, veroorzaken, uitlokken
Voorbeeld:
(noun) ambacht, handwerk, vaartuig;
(verb) maken, vervaardigen
Voorbeeld:
(verb) oprichten, vestigen, vaststellen
Voorbeeld:
(verb) verzinnen, vervalsen, fabriceren
Voorbeeld:
(verb) ontstaan, beginnen, creëren
Voorbeeld:
(verb) lanceren, starten, afschieten;
(noun) lancering, start
Voorbeeld:
(noun) instituut, instelling;
(verb) instellen, invoeren, beginnen
Voorbeeld:
(verb) herbestemmen, hergebruiken
Voorbeeld:
(verb) verzamelen, bijeenkomen, monteren
Voorbeeld:
(verb) smeden, vormen, vervalsen;
(noun) smidse, smederij
Voorbeeld:
(noun) mode, stijl, manier;
(verb) vormen, maken
Voorbeeld:
(noun) wieg, ledikant, bakermat;
(verb) wiegen, koesteren
Voorbeeld: