Avatar of Vocabulary Set Eten klaarmaken

Vocabulaireverzameling Eten klaarmaken in IELTS Academische Woordenschat (Band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eten klaarmaken' in 'IELTS Academische Woordenschat (Band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

bake

/beɪk/

(verb) bakken, uitdrogen

Voorbeeld:

She decided to bake a cake for her friend's birthday.
Ze besloot een cake te bakken voor de verjaardag van haar vriendin.

boil

/bɔɪl/

(verb) koken, opkoken, koken van woede;

(noun) zweer, furunkel

Voorbeeld:

The water began to boil rapidly.
Het water begon snel te koken.

grill

/ɡrɪl/

(noun) grill, barbecue, grillrestaurant;

(verb) grillen, barbecueën, ondervragen

Voorbeeld:

We cooked burgers on the grill.
We kookten hamburgers op de grill.

fry

/fraɪ/

(verb) bakken, frituren, smelten;

(noun) friet, gebakken gerecht, vislarven

Voorbeeld:

She decided to fry the eggs for breakfast.
Ze besloot de eieren te bakken voor het ontbijt.

roast

/roʊst/

(verb) braden, roosteren, roasten;

(noun) braadstuk, gebraad, roast;

(adjective) gebraden, geroosterd

Voorbeeld:

We decided to roast a chicken for dinner.
We besloten een kip te braden voor het avondeten.

blend

/blend/

(verb) mengen, blenden, passen bij;

(noun) melange, mengsel

Voorbeeld:

Blend the ingredients thoroughly until smooth.
Meng de ingrediënten grondig tot een gladde massa.

chop

/tʃɑːp/

(verb) hakken, snijden, slaan;

(noun) slag, hak, kotelet

Voorbeeld:

He began to chop wood for the fire.
Hij begon hout te hakken voor het vuur.

slice

/slaɪs/

(noun) plak, schijf, deel;

(verb) snijden, schijven, slicen

Voorbeeld:

Can I have a slice of cake?
Mag ik een plak cake?

dice

/daɪs/

(noun) dobbelsteen;

(verb) in blokjes snijden, dobbelen

Voorbeeld:

Roll the dice to see who goes first.
Gooi de dobbelstenen om te zien wie er als eerste gaat.

peel

/piːl/

(verb) schillen, pellen, bladderen;

(noun) schil, schillen

Voorbeeld:

She carefully peeled the apple before slicing it.
Ze schilde de appel voorzichtig voordat ze hem sneed.

grate

/ɡreɪt/

(verb) raspen, kraken, schuren;

(noun) rooster, haardrooster

Voorbeeld:

She began to grate the cheese for the pasta.
Ze begon de kaas te raspen voor de pasta.

shred

/ʃred/

(noun) reepje, flard, spoor;

(verb) versnipperen, verscheuren

Voorbeeld:

There's not a shred of evidence to support his claim.
Er is geen spoor van bewijs om zijn bewering te ondersteunen.

mash

/mæʃ/

(verb) stampen, fijnstampen;

(noun) puree, stampot

Voorbeeld:

She began to mash the potatoes for dinner.
Ze begon de aardappelen te stampen voor het avondeten.

marinate

/ˌmer.əˈneɪd/

(verb) marineren, laten bezinken

Voorbeeld:

Marinate the chicken in lemon juice and herbs for an hour.
Marineer de kip een uur in citroensap en kruiden.

season

/ˈsiː.zən/

(noun) seizoen, jaargetijde;

(verb) kruiden, op smaak brengen

Voorbeeld:

Autumn is my favorite season.
De herfst is mijn favoriete seizoen.

mix

/mɪks/

(verb) mengen, mixen, socialiseren;

(noun) mix, mengsel

Voorbeeld:

Mix the flour and water to make a dough.
Meng de bloem en het water om een deeg te maken.

freeze

/friːz/

(verb) bevriezen, invriezen, stilstaan;

(noun) vorst, vriespunt, stop

Voorbeeld:

The water pipes might freeze if the temperature drops too low.
De waterleidingen kunnen bevriezen als de temperatuur te laag wordt.

toast

/toʊst/

(noun) toast, geroosterd brood, toost;

(verb) roosteren, proosten, een toost uitbrengen

Voorbeeld:

I had butter and jam on my toast for breakfast.
Ik had boter en jam op mijn toast voor het ontbijt.

cut

/kʌt/

(verb) snijden, knippen, hakken;

(noun) snede, knippen, coupe;

(adjective) gesneden, geknipt

Voorbeeld:

She accidentally cut her finger while chopping vegetables.
Ze sneed per ongeluk haar vinger tijdens het snijden van groenten.

flavor

/ˈfleɪ.vɚ/

(noun) smaak, aroma, sfeer;

(verb) op smaak brengen, aromatiseren

Voorbeeld:

This ice cream has a rich vanilla flavor.
Dit ijs heeft een rijke vanillesmaak.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland