Vocabulaireverzameling 351-400 in 600 WOORDEN DIE NAUWKEURIG ZIJN AAN LEERBOEKEN: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling '351-400' in '600 WOORDEN DIE NAUWKEURIG ZIJN AAN LEERBOEKEN' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adverb) tegenwoordig, nu
Voorbeeld:
(adjective) minimaal, gering, minimalistisch
Voorbeeld:
(noun) bewustzijn, besef
Voorbeeld:
(noun) pakket, pakje, voorstel;
(verb) verpakken, inpakken
Voorbeeld:
(noun) ecotoerisme
Voorbeeld:
(noun) huishouden;
(adjective) huishoudelijk
Voorbeeld:
(noun) karton;
(adjective) kartonachtig, zwak
Voorbeeld:
(adjective) verontreinigd, besmet;
(verb) verontreinigde, besmette
Voorbeeld:
(noun) recycling, hergebruik
Voorbeeld:
(noun) bak, vuilnisbak;
(verb) weggooien, verwijderen
Voorbeeld:
(noun) gebrek, tekort;
(verb) missen, ontbreken
Voorbeeld:
(adjective) biologisch, organisch, natuurlijk
Voorbeeld:
(noun) product, artikel, uitkomst
Voorbeeld:
(noun) restjes, overblijfselen, overblijfsel;
(adjective) overgebleven, restant
Voorbeeld:
(noun) stortplaats, vuilnisbelt;
(verb) storten, begraven
Voorbeeld:
(noun) stapel, hoop, bouwwerk;
(verb) stapelen, ophopen
Voorbeeld:
(noun) afval, resten, verspilling;
(verb) verspillen, verkwisten, verkwijnen;
(adjective) woest, braakliggend
Voorbeeld:
(adverb) naar het centrum, in het centrum;
(noun) centrum, binnenstad;
(adjective) centraal, binnenstedelijk
Voorbeeld:
(noun) afstand, verte, reserve;
(verb) distantiëren, afstand nemen
Voorbeeld:
(adjective) handig, gemakkelijk, gebruiksvriendelijk
Voorbeeld:
(adjective) koloniaal
Voorbeeld:
(adjective) druk, overvol
Voorbeeld:
(adjective) betaalbaar, voordelig
Voorbeeld:
(noun) hoogbouw, wolkenkrabber;
(adjective) hoog, met veel verdiepingen
Voorbeeld:
(verb) fluctueren, schommelen, variëren
Voorbeeld:
(verb) zoeken, trachten, vragen
Voorbeeld:
(verb) veroorloven, bieden, verschaffen
Voorbeeld:
(noun) vrijgezel, bachelor, baccalaureus
Voorbeeld:
(noun) bonus, premie, extraatje
Voorbeeld:
(noun) verantwoordelijkheid, plicht, taken
Voorbeeld:
(noun) vacature, openstaande functie, leegte
Voorbeeld:
(adjective) enthousiast
Voorbeeld:
(adjective) verantwoordelijk, verantwoordelijk voor, oorzaak van
Voorbeeld:
(adjective) relevant, ter zake doende, passend
Voorbeeld:
(adjective) uitdagend, moeilijk
Voorbeeld:
(noun) werknemer, medewerker
Voorbeeld:
(noun) toewijding, betrokkenheid, verplichting
Voorbeeld:
(noun) bijdrage, schenking, aandeel
Voorbeeld:
(noun) verschuiving, verandering, dienst;
(verb) verschuiven, verplaatsen, schakelen
Voorbeeld:
(noun) overwerk, overtijd, verlenging;
(adverb) over, overtijd
Voorbeeld:
(adjective) stressvol, spannend
Voorbeeld:
(adjective) lonend, bevredigend
Voorbeeld:
(noun) vlucht, zwerm, trap
Voorbeeld:
(verb) oprichten, vestigen, vaststellen
Voorbeeld:
(noun) aanwezigheid, bestaan, uitstraling
Voorbeeld:
(noun) vooringenomenheid, vooroordeel, partijdigheid;
(verb) beïnvloeden, vooringenomen maken
Voorbeeld:
(adjective) commercieel, handels-, winstgevend;
(noun) reclamespot, commercial
Voorbeeld:
(noun) poster, plakkaat
Voorbeeld:
(noun) luipaard
Voorbeeld:
(adjective) geloofwaardig, aannemelijk, betrouwbaar
Voorbeeld: