Vocabulaireverzameling 151-200 in 600 WOORDEN DIE NAUWKEURIG ZIJN AAN LEERBOEKEN: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling '151-200' in '600 WOORDEN DIE NAUWKEURIG ZIJN AAN LEERBOEKEN' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) onbekend, vreemd, onbekend met
Voorbeeld:
(noun) taak, opdracht;
(verb) belasten, opdragen
Voorbeeld:
(adjective) georganiseerd, gestructureerd, efficiënt;
(past participle) organiseerde, georganiseerd
Voorbeeld:
(adjective) repetitief, eentonig, herhalend
Voorbeeld:
(adjective) geduldig;
(noun) patiënt
Voorbeeld:
(noun) valuta, munteenheid, geldigheid
Voorbeeld:
(adjective) waardevol, kostbaar, nuttig
Voorbeeld:
(noun) haven;
(verb) koesteren, herbergen, onderdak bieden
Voorbeeld:
(noun) uitwisseling, ruil, beurs;
(verb) uitwisselen, ruilen
Voorbeeld:
(noun) sieraden, juwelen
Voorbeeld:
(adjective) elektronisch
Voorbeeld:
(noun) veiligheid, beveiliging, bewaking
Voorbeeld:
(adjective) beschaamd, verlegen
Voorbeeld:
(adjective) angstig, nerveus, enthousiast
Voorbeeld:
(adjective) dankbaar
Voorbeeld:
(noun) bedrijf, onderneming, gezelschap
Voorbeeld:
(adjective) duurzaam, houdbaar, milieuvriendelijk
Voorbeeld:
(adjective) milieu-, ecologisch, omgevings-
Voorbeeld:
(noun) voetafdruk, voetspoor, ruimtebeslag
Voorbeeld:
(verb) adopteren, aannemen, overnemen
Voorbeeld:
(verb) installeren, plaatsen, aanstellen
Voorbeeld:
(noun) tuig, harnas, gordel;
(verb) aantuigen, inspannen, benutten
Voorbeeld:
(verb) ondersteunen, steunen, handhaven
Voorbeeld:
(adverb) hevig, sterk, zwaar
Voorbeeld:
(noun) concentratie, aandacht, dichtheid
Voorbeeld:
(noun) fabriek
Voorbeeld:
(adjective) ruim, spacieus
Voorbeeld:
(adjective) industrieel, voor de industrie
Voorbeeld:
(adjective) welgemanierd, beschaafd
Voorbeeld:
(verb) bereiken, behalen, volbrengen
Voorbeeld:
(noun) succes, welslagen, succesnummer
Voorbeeld:
(adjective) continu, ononderbroken
Voorbeeld:
(noun) zelfverbetering, zelfontplooiing
Voorbeeld:
(verb) isoleren, afzonderen, afschermen
Voorbeeld:
(verb) verwerven, verkrijgen, aanschaffen
Voorbeeld:
(noun) vooruitgang, opmars, voorschot;
(verb) vooruitgaan, vorderen, voorschieten;
(adjective) vooraf, voorlopig
Voorbeeld:
(verb) plegen, begaan, verbinden
Voorbeeld:
(noun) ontwerp, tekening, vormgeving;
(verb) ontwerpen, vormgeven, bestemmen voor
Voorbeeld:
(verb) nabootsen, imiteren, lijken op;
(noun) nabootser, imitator, nabootsing;
(adjective) nabootsend, imiterend
Voorbeeld:
(noun) gedrag, werking
Voorbeeld:
(noun) uiterlijk, verschijning, optreden
Voorbeeld:
(adjective) mededeelzaam, spraakzaam, communicatief
Voorbeeld:
(adjective) huiselijk, huishoudelijk, binnenlands;
(noun) huishoudster, dienstbode
Voorbeeld:
(adjective) digitaal, vinger-
Voorbeeld:
(adjective) humanoïde, mensachtig;
(noun) humanoïde, mensachtig wezen
Voorbeeld:
(noun) kans, gelegenheid
Voorbeeld:
(noun) migratie, trek, volksverhuizing
Voorbeeld:
(adjective) levendig, bruisend, helder
Voorbeeld:
(adjective) druk, bruisend, levendig
Voorbeeld:
(adjective) stedelijk, urbaan
Voorbeeld: