Vocabulaireverzameling Eenheid 5: Waar ben je dit weekend? in Groep 5: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 5: Waar ben je dit weekend?' in 'Groep 5' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) berg, hoop
Voorbeeld:
(noun) picknick;
(verb) picknicken
Voorbeeld:
(noun) platteland
Voorbeeld:
(noun) strand;
(verb) aan land brengen, stranden
Voorbeeld:
(noun) zee, meer, grote hoeveelheid
Voorbeeld:
(noun) Engeland
Voorbeeld:
(verb) bezoeken;
(noun) bezoek, huisbezoek
Voorbeeld:
(verb) zwemmen, duizelen, draaien;
(noun) zwempartij, zwem
Voorbeeld:
(verb) verkennen, ontdekken, onderzoeken
Voorbeeld:
(noun) grot, spelonk;
(verb) zwichten, toegeven
Voorbeeld:
(noun) eiland, verkeerseiland
Voorbeeld:
(noun) baai, nis, ruimte;
(verb) blaffen, huilen
Voorbeeld:
(noun) park, reservaat;
(verb) parkeren
Voorbeeld:
(noun) zandkasteel
Voorbeeld:
(adverb) morgen;
(noun) morgen
Voorbeeld:
(noun) weekend
Voorbeeld:
(adjective) volgende, hierna, naast;
(adverb) vervolgens, daarna
Voorbeeld:
(noun) zeevruchten
Voorbeeld:
(noun) zand;
(verb) schuren, gladschuren
Voorbeeld:
(verb) zonnebaden
Voorbeeld:
(verb) bouwen, opbouwen, toenemen;
(noun) bouw, lichaamsbouw
Voorbeeld:
(noun) activiteit, bedrijvigheid, bezigheid
Voorbeeld:
(noun) sollicitatiegesprek, interview, gesprek;
(verb) interviewen, ondervragen
Voorbeeld:
(adjective) groot, geweldig, uitstekend;
(adverb) geweldig, uitstekend
Voorbeeld:
(preposition) rond, om, in de buurt;
(adverb) rond, in de buurt, overal
Voorbeeld:
(noun) thuis, huis, thuisland;
(adverb) thuis, naar huis;
(adjective) thuis, huiselijk;
(verb) terugkeren, richten
Voorbeeld:
(noun) einde, slot, uiteinde;
(verb) eindigen, afsluiten, beëindigen
Voorbeeld: