Avatar of Vocabulary Set Eenheid 4: Ben je naar het feestje geweest?

Vocabulaireverzameling Eenheid 4: Ben je naar het feestje geweest? in Groep 5: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 4: Ben je naar het feestje geweest?' in 'Groep 5' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

birthday

/ˈbɝːθ.deɪ/

(noun) verjaardag

Voorbeeld:

Happy birthday!
Fijne verjaardag!

party

/ˈpɑːr.t̬i/

(noun) feest, partij, groep;

(verb) feesten, partij vieren

Voorbeeld:

We're having a birthday party for my sister.
We geven een verjaardagsfeestje voor mijn zus.

fun

/fʌn/

(noun) plezier, pret, vermaak;

(adjective) leuk, grappig, vermakelijk

Voorbeeld:

We had a lot of fun at the party.
We hadden veel plezier op het feest.

visit

/ˈvɪz.ɪt/

(verb) bezoeken;

(noun) bezoek, huisbezoek

Voorbeeld:

I'm going to visit my grandparents next weekend.
Ik ga volgend weekend mijn grootouders bezoeken.

enjoy

/ɪnˈdʒɔɪ/

(verb) genieten van, beschikken over

Voorbeeld:

I really enjoy spending time with my family.
Ik geniet echt van tijd doorbrengen met mijn familie.

flower

/ˈflaʊ.ɚ/

(noun) bloem;

(verb) bloeien

Voorbeeld:

The garden is full of beautiful flowers.
De tuin staat vol met prachtige bloemen.

different

/ˈdɪf.ɚ.ənt/

(adjective) anders, verschillend, afzonderlijk

Voorbeeld:

She wore a different dress to the party.
Ze droeg een andere jurk naar het feest.

place

/pleɪs/

(noun) plaats, plek, huis;

(verb) plaatsen, leggen, herkennen

Voorbeeld:

This is a good place to sit.
Dit is een goede plek om te zitten.

festival

/ˈfes.tə.vəl/

(noun) festival, feest

Voorbeeld:

The town celebrates a summer festival every year.
De stad viert elk jaar een zomerfestival.

hide-and-seek

/ˌhaɪd.ənˈsiːk/

(noun) verstoppertje

Voorbeeld:

The children played a lively game of hide-and-seek in the park.
De kinderen speelden een levendig spelletje verstoppertje in het park.

cartoon

/kɑːrˈtuːn/

(noun) tekenfilm, cartoon, spotprent

Voorbeeld:

My kids love watching Saturday morning cartoons.
Mijn kinderen kijken graag naar zaterdagochtend tekenfilms.

chat

/tʃæt/

(verb) praten, kletsen;

(noun) praatje, babbel

Voorbeeld:

We spent hours chatting about everything.
We hebben urenlang over alles gepraat.

invite

/ɪnˈvaɪt/

(verb) uitnodigen, aantrekken;

(noun) uitnodiging

Voorbeeld:

We'd like to invite you to our wedding.
We willen je graag uitnodigen voor onze bruiloft.

eat

/iːt/

(verb) eten, nuttigen, een maaltijd nuttigen

Voorbeeld:

I like to eat breakfast early.
Ik hou ervan om vroeg te eten.

happily

/ˈhæp.əl.i/

(adverb) gelukkig, blij, graag

Voorbeeld:

She smiled happily as she opened the gift.
Ze glimlachte gelukkig toen ze het cadeau opende.

film

/fɪlm/

(noun) film, laagje;

(verb) filmen, opnemen

Voorbeeld:

We watched a horror film last night.
We hebben gisteravond een horrorfilm gekeken.

present

/ˈprez.ənt/

(noun) cadeau, geschenk, heden;

(adjective) aanwezig, huidig;

(verb) presenteren, aanbieden, geven

Voorbeeld:

She received a beautiful present for her birthday.
Ze kreeg een mooi cadeau voor haar verjaardag.

robot

/ˈroʊ.bɑːt/

(noun) robot, mechanisch persoon

Voorbeeld:

The factory uses robots to assemble cars.
De fabriek gebruikt robots om auto's te assembleren.

sweet

/swiːt/

(adjective) zoet, lief, aangenaam;

(noun) snoepje, lekkernij

Voorbeeld:

The cake was perfectly sweet.
De cake was perfect zoet.

candle

/ˈkæn.dəl/

(noun) kaars

Voorbeeld:

She lit a candle to create a cozy atmosphere.
Ze stak een kaars aan om een gezellige sfeer te creëren.

cake

/keɪk/

(noun) cake, taart, koekje;

(verb) aankoeken, samenkoeken

Voorbeeld:

She baked a delicious chocolate cake for the party.
Ze bakte een heerlijke chocolade cake voor het feest.

juice

/dʒuːs/

(noun) sap, stroom, elektriciteit;

(verb) persen, sap maken

Voorbeeld:

She squeezed fresh orange juice for breakfast.
Ze perste verse sinaasappelsap voor het ontbijt.

fruit

/fruːt/

(noun) fruit, vrucht, resultaat;

(verb) vruchten dragen, fruit produceren

Voorbeeld:

Apples and oranges are common types of fruit.
Appels en sinaasappels zijn veelvoorkomende soorten fruit.

comic

/ˈkɑː.mɪk/

(noun) komiek, grappenmaker, stripboek;

(adjective) komisch, grappig

Voorbeeld:

The comic had the audience in stitches with his hilarious routine.
De komiek had het publiek aan het lachen met zijn hilarische routine.

sport

/spɔːrt/

(noun) sport, sportsman, sportieveling;

(verb) dragen, pronken met

Voorbeeld:

Football is a popular sport.
Voetbal is een populaire sport.

start

/stɑːrt/

(noun) start, begin;

(verb) beginnen, starten, opzetten

Voorbeeld:

The race will start at 10 AM.
De race zal om 10 uur 's ochtends beginnen.

end

/end/

(noun) einde, slot, uiteinde;

(verb) eindigen, afsluiten, beëindigen

Voorbeeld:

We reached the end of the road.
We bereikten het einde van de weg.

stay-at-home

/ˌsteɪ ət ˈhoʊm/

(noun) thuisblijver, huisvrouw, huisman;

(adjective) thuisblijf-, huis-

Voorbeeld:

She decided to become a stay-at-home mom after her second child was born.
Ze besloot een thuisblijfmoeder te worden nadat haar tweede kind was geboren.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland