Vocabulaireverzameling Eenheid 4: Ben je naar het feestje geweest? in Groep 5: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 4: Ben je naar het feestje geweest?' in 'Groep 5' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) feest, partij, groep;
(verb) feesten, partij vieren
Voorbeeld:
(noun) plezier, pret, vermaak;
(adjective) leuk, grappig, vermakelijk
Voorbeeld:
(verb) bezoeken;
(noun) bezoek, huisbezoek
Voorbeeld:
(verb) genieten van, beschikken over
Voorbeeld:
(noun) bloem;
(verb) bloeien
Voorbeeld:
(adjective) anders, verschillend, afzonderlijk
Voorbeeld:
(noun) plaats, plek, huis;
(verb) plaatsen, leggen, herkennen
Voorbeeld:
(noun) festival, feest
Voorbeeld:
(noun) verstoppertje
Voorbeeld:
(noun) tekenfilm, cartoon, spotprent
Voorbeeld:
(verb) praten, kletsen;
(noun) praatje, babbel
Voorbeeld:
(verb) uitnodigen, aantrekken;
(noun) uitnodiging
Voorbeeld:
(verb) eten, nuttigen, een maaltijd nuttigen
Voorbeeld:
(adverb) gelukkig, blij, graag
Voorbeeld:
(noun) film, laagje;
(verb) filmen, opnemen
Voorbeeld:
(noun) cadeau, geschenk, heden;
(adjective) aanwezig, huidig;
(verb) presenteren, aanbieden, geven
Voorbeeld:
(noun) robot, mechanisch persoon
Voorbeeld:
(adjective) zoet, lief, aangenaam;
(noun) snoepje, lekkernij
Voorbeeld:
(noun) kaars
Voorbeeld:
(noun) cake, taart, koekje;
(verb) aankoeken, samenkoeken
Voorbeeld:
(noun) sap, stroom, elektriciteit;
(verb) persen, sap maken
Voorbeeld:
(noun) fruit, vrucht, resultaat;
(verb) vruchten dragen, fruit produceren
Voorbeeld:
(noun) komiek, grappenmaker, stripboek;
(adjective) komisch, grappig
Voorbeeld:
(noun) sport, sportsman, sportieveling;
(verb) dragen, pronken met
Voorbeeld:
(noun) start, begin;
(verb) beginnen, starten, opzetten
Voorbeeld:
(noun) einde, slot, uiteinde;
(verb) eindigen, afsluiten, beëindigen
Voorbeeld:
(noun) thuisblijver, huisvrouw, huisman;
(adjective) thuisblijf-, huis-
Voorbeeld: